Vlasscriptie hoofdstuk 3b

Vervolg hoofdstuk 3: Doctoraalscriptie "De vlasserij in 's-Gravendeel"

​Hoofdstuk 1, Hoofdstuk 2a, Hoofdstuk 2b, Hoofdstuk 2c, Hoofdstuk 3a, Hoofdstuk 3b, Hoofdstuk 3c, Hoofdstuk 4a, Hoofdstuk 4b, Hoofdstuk 4c, Hoofdstuk 4d, Hoofdstuk 4e, Hoofdstuk 4f, Hoofdstuk 5a, Hoofdstuk 5b, Hoofdstuk 6​

3.2  Nederland

Wanneer in Nederland voor het eerst vlas werd verbouwd en verwerkt is niet precies bekend. Het is wel zeker, dat de Germanen hun linnenkleding uit vlas maakten en het zijn waarschijnlijk de Saksische stammen geweest, die de vlasnijverheid naar Nederland hebben gebracht.(16)

Uit schaarse gegevens blijkt dat in 1669 uit Rotterdam twee à drie miljoen pond ongehekeld vlas en 8.000-10.000 ton lijnzaad werd uitgevoerd. In het begin van de achttiende eeuw is de vlasteelt al van grote betekenis in Nederland in de vorm van een bloeiende huisindustrie, waarbij het vlas op de boerenbedrijven zelf tot ruw linnen werd verwerkt, grotendeels om in de eigen kleding- en linnenbehoefte te voorzien.

De vlasteelt en vlasindustrie waren oorspronkelijk nevenactiviteiten van landbouwers tijdens de winter, als er weinig op de boerderij te doen was. Meestal werden meerdere gewassen verbouwd om te zorgen voor een gelijkmatige verdeling van de arbeid over de maanden van het jaar. De verschillende gewassen moeten namelijk op verschillende tijden worden gezaaid en geoogst.

Het verbouwen van verschillende gewassen beperkt bovendien het economisch risico van het landbouwbedrijf. De prijzen van veel akkerbouwproducten schommelen nog al en het weer en bepaalde plantenziekten zorgen ervoor dat de opbrengst sterk uiteen kon lopen.(17)

Eind achttiende eeuw verschuift de vlasteelt van de zandgronden naar de kleigronden. Rond 1850 betekende de vlascultuur in Drente, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Limburg vrijwel niets meer.(18) De vlascultuur op de zandgronden, waar het vlas in het huisgezin werd bewerkt, was teruggedrongen tot enkele afgelegen streken. Maar op de vruchtbare kleigronden was een bloeiende afzonderlijke industrie ontstaan rond 1780.(19)

3.2.1 Vlasteelt in Nederland

Het aantal hectaren dat met vlas werd ingezaaid was aan schommelingen onderhevig, zoals in onderstaande grafiek (grafiek 5 en bijlage 5) duidelijk te zien is.

Grafiek 5. Beteeld oppervlakte vlas Nederland 1851-1974. Bron: Gebaseerd op
Mededeelingen (1851-1911) en De Zeeuw, Van lijnzaad tot vlaslint (1901-1974), 76.

Het oppervlakte met vlas schommelde van 1851 tot en met 1974 meestal tussen 10.000 en 20.000 hectaren.Duidelijke bloeiperiodes, waarin meer dan 20.000 hectaren vlas werden verbouwd, zijn de jaren zestig van de negentiende eeuw, toen de Amerikaanse katoenexport door de Burgeroorlog stagneerde, de Tweede Wereldoorlog en de jaren vijftig, gedurende de Koude Oorlog en de Koreaanse oorlog.

Voor het hoogtepunt in de vlasteelt in 1920 heb ik geen verklaring. Dieptepunten zijn vooral de periode van de internationale landbouwcrisis die omstreeks 1880 uitbrak, de periode na de Eerste Wereldoorlog, de crisisjaren in de jaren dertig van de twintigste eeuw en de periode na 1966, wanneer de neergang in de vlasindustrie duidelijk is begonnen.

Uit onderstaande grafiek (grafiek 6) blijkt duidelijk dat er een relatie is tussen het aantal beteelde hectaren vlas en de vlasprijs. Als de prijs voor het vlaslint daalde, werden er minder hectaren vlas geteeld en andersom.

Grafiek 6. Beteelde hectaren en vlasprijs in Nederland 1921-1935.
Bron:
Gebaseerd op Mededeelingen 1921-1935.

De crisis van de jaren dertig trof de Nederlandse vlasnijverheid hard. Omstreeks 1930 daalde de prijs van vlas sterk, waardoor in 1932 steun aan de Nederlandse boeren noodzakelijk werd.( 20) In 1932 werd duidelijk dat de crisis niet van korte duur zou zijn. De regering kreeg nieuwe bevoegdheden met de Landbouw-Crisiswet die op 27 juli 1934 werd afgekondigd en waarin alle bestaande wetten op landbouwgebied werden ondergebracht.

Een van de belangrijkste bepalingen van de wet was dat alle landbouw-, tuinbouw- en aanverwante producten tot crisisproduct konden worden verklaard. De productie, de verwerking, de handel, het in voorraad hebben, het vervoer en de in- en uitvoer van deze crisisproducten konden worden verboden.

De regering kreeg de bevoegdheid de invoer met invoerrechten te belasten die samen met de heffingen op het binnenlands verbruik werden gestort in het Landbouw-Crisisfonds.(21) Uit dit fonds werden de toeslagen en steun- en kredietbedragen betaald.(22) De lijst met crisisproducten was aanzienlijk.(23)

Ook vlas werd een crisisproduct. Rond 1938/1939 stegen de prijzen weer en was de crisis ten einde.Daarna, aanvankelijk met behulp van overheidssubsidies, leefde de vlasindustrie weer op. De Tweede Wereldoorlog en de periode erna betekende weer een bloeiperiode voor het vlas. Eind jaren vijftig werden grote hoeveelheden Russisch vlas tegen dumpprijzen op de West-Europese markt gebracht, waardoor in Nederland, net als in geheel West-Europa, het bebouwde oppervlak in 1957 en 1958 daalde.(24)

Tussen 1959 en 1964 bereikte de vlasteelt in Nederland en West-Europa weer zijn oude niveau, doordat via productieafspraken tussen spinnerijen de import van Russisch vlas werd beperkt. Na 1964 zakte de vlasteelt in Nederland volledig in. In 1964 werd nog 30.000 hectare vlas verbouwd, in 1970 zakte dit naar 9.000 hectare en in 1981 werd nog slechts 3.000 hectare vlas geteeld. In 1989 lag het areaal rond de 5.600 hectare.(25)

Voor de afname van de vlasteelt in Nederland na 1964 zijn een aantal oorzaken aan te wijzen. Dit zal in hoofdstuk vier bij het beschrijven van de hoogtepunten en dieptepunten in de ’s-Gravendeelse vlasserij verder besproken worden (zie hoofdstuk 4.2.3.2).

Dat de vlasnijverheid zich niet hoeft te vestigen in gebieden waar vlas wordt geteeld, blijkt uit het feit dat vóór 1933 minder dan de helft van het in Nederland geteelde vlas in Nederland werd verwerkt.(26) De rest werd uitgevoerd.

In onderstaande grafiek (grafiek 7 en bijlage 6) is duidelijk te zien dat vrijwel al het onbewerkte vlas dat werd uitgevoerd naar België ging, dat immers de vlasbewerking in die periode in Europa domineerde


Grafiek 7. Uitvoer onbewerkt vlas uit Nederland 1919-1943.
Bron: Jaarstatistiek van den in-, uit- en doorvoer over ....
(’s-Gravenhage, 1918-1944)
en Maandstatistiek van de in-, uit- en doorvoer van Nederland
(’s-Gravenhage, 1940-1950).

3.2.2 Vlasbewerking in Nederland

Ook het grootste deel van het in Nederland bewerkte vlas werd uitgevoerd, niet alleen naar België, maar ook naar Groot-Brittannië en Duitsland (zie grafiek 8 en bijlage 7).


Grafiek 8. Uitvoer bewerkt vlas uit Nederland naar België, Groot-Brittannië, Duitsland en overige landen 1889-1973.(27)

Bron: Statistiek van den in-, uit- en doorvoer over het jaar (’s-Gravenhage, 1878-1917); Jaarstatistiek van den
in-, uit- en doorvoer over ....
1918-1944; Maandstatistiek van de in-, uit- en doorvoer van Nederland 1940-1950;
Maandstatistiek van de in, uit- en doorvoer per goederensoort (’s-Gravenhage, 1950-1965).

Na 1780 werd de vlasindustrie een zelfstandige nijverheid, waarin het landbouwproduct vlas in handmatige vlasserijen werd bewerkt tot grondstof voor de spinnerij.

In 1887 waren er slechts enkele industriële ondernemingen in de vlassector, rond 1906 (zie tabel 3) was dit aantal opgelopen tot 33, met ongeveer duizend arbeiders. Daarnaast waren er nog vierduizend handmatige vlasbraakhokken en zwingelketen met ruim 9.300 arbeiders.(28)

Tabel 3. Gemiddeld aantal handmatige en machinale vlasserijen met hetgemiddeld aantal werkzame personen per Nederlandse provincie rond 1906(29)

Provincie

Handmatige vlasserijen

Aantal arbeiders

Machinale vlasserijen

Aantal arbeiders

Groningen

240

1.400

9

275

Friesland

2.840

4.580

1

50

Zuid-Holland

650

2.260

19

585

Zeeland

110

420

-

-

Noord-Brabant

160

660

4

115

Totaal

4.000

9.320

33

1.025

In 1938 werd ruim driekwart van al het vlas in het kleinbedrijf bewerkt, dikwijls in coöperatieve warmwaterroterijen. Het grootbedrijf verwerkte een kwart van al het vlas, dat in Nederland werd bewerkt.(30)

Onder de ongeveer 1700 vlasbedrijven in 1943 waren de volgende ondernemingsvormen te vinden: één commanditaire vennootschap, zeven naamloze vennootschappen, 130 vennootschappen onder firma en de rest waren eenmanszaken. Hieruit blijkt duidelijk dat de eenmanszaak overheerste.

‘De toenemende betekenis’ geeft hiervoor twee verklaringen.(31) Ten eerste werd de speciale vereiste vakbekwaamheid vaak overgedragen van vader op zoon. Bovendien heeft het stedelijk kapitaal geen interesse getoond voor de vlasnijverheid, zodat er weinig grootbedrijven zijn opgericht.

Om de moderne techniek toch te kunnen toepassen zijn de vlassers in het kleinbedrijf gemeenschappelijk roterijen en zwingelarijen gaan exploiteren in de vorm van stichtingen, coöperaties of verenigingen. Na 1945 gingen veel kleine bedrijven mechaniseren.(32)

De jaren vijftig, de jaren van de Koude Oorlog en de Koreaanse oorlog, betekende een grote opbloei van de vlasindustrie. Maar net als de vlasteelt nam ook de vlasbewerking vanaf begin jaren zestig in de twintigste eeuw sterk af (voor de oorzaken zie paragraaf 4.2.3.2).

In 1961 waren er 281 vlassers met ruim 1300 werknemers, in 1971 waren er nog 71 vlasverwerkende bedrijven over, waarvan er 37 minder dan twintig hectare vlas verwerkten.

Mede door de voortdurende inkrimping van het vlasareaal is er door de meeste bedrijven niet meer geïnvesteerd in nieuwe productiemiddelen.(33)



16. De Jonge, Vlasteelt en vlasbewerking, 14.

17. G. Minderhoud, De Nederlandse landbouw (Haarlem, 1952) 33-34.

18. De Jonge, Vlasteelt en vlasbewerking, 16. Zie ook bijlage 5.

19. ‘Beschrijving der vlascultuur’, 10-11.

20. Volgens Reedijk, ‘De vlasindustrie’, 367 werden de steunmaatregelen in 1935/1936 ingetrokken, volgens Kleijburg, ‘Een halve eeuw vlasserij’, 129 duurde de steun tot en met 1937.

21. De heffingen op het binnenlands verbruik waren kunstmatig verhoogde prijzen van allerlei levensmiddelen. Minderhoud, De Nederlandse landbouw, 1.

22. Z.W. Sneller, Geschiedenis van de Nederlandse landbouw 1795-1940 (Groningen/Djakarta, 1951), 479.

23. Sneller, Nederlandse landbouw, 480 noemt: tarwe, andere granen, zetmeel, veekoeken, peulvruchten, aardappelen en aardappelmeel, vlas, cichorei, suikerbieten en suiker, riet en griendhout, rundvee, varkens, pluimvee, eieren, vlees, boter, kaas, melk en melkproducten, margarine, vetten en oliën, groenten, fruit, sierteeltgewassen, vis en turf.

24. Jongbloed, Enige economische aspecten, 65.

25. Riensema, Vlas 2000, 28.

26. ‘De toenemende beteekenis’, 668.

27. In 1944 en 1945 is geen bewerkt vlas uitgevoerd.

28. De Jonge, De industrialisatie, 125; Everwijn, Beschrijving I, 330.

29. Everwijn, Beschrijving I, 330.

30. De Jonge, Vlasteelt en vlasbewerking, 83; Sneller, Nederlandse landbouw, 470. Beide auteurs geven geen definitie van grootbedrijf. Jan Luiten van Zanden en Arthur van Riel, Nederland 1780-1914. Staat, instituties en economische ontwikkeling (z.p., 2000), 289 definiëren het grootbedrijf als een bedrijf met tien personen of meer.

31. ‘De toenemende betekenis’, 669.

32. Jongbloed, Enige economische aspecten, 39.

33. Cevaal en Hartmans, Bedrijfseconomische perspectieven, 32.

Cookies

​Deze website gebruikt noodzakelijke cookies en analytische cookies (geanonimiseerd). Zie ons cookiebeleid voor meer informatie.​