logo s-Gravendeel

Digitaal dorp
s-Gravendeel

Alles over s-Gravendeel...

Vervolg (4) hoofdstuk 4 "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

Ad b. 1918-1948
In de periode tussen de twee wereldoorlogen schommelde de uitvoer van vlas sterk. Een uitspraak van één van de ’s-Gravendeelse vlassers is op deze periode zeer toepasselijk: ‘Het vlas was net als de aandelenmarkt, alleen het vlas fluctueerde nog veel harder.’(74)

Dit had zijn weerslag op de ’s-Gravendeelse vlasindustrie, zoals ook blijkt uit de schommelingen van het aantal kilo’s geroot vlas bij de Coöperatieve Warmwatervlasroterij Schenkeldijk in onderstaande grafiek (grafiek 12 en bijlage 14). 

Grafiek 12 Geroot vlas Coöperatieve Warmwatervlasroterij Schenkeldijk
Grafiek 12. Geroot vlas Coöperatieve Warmwatervlasroterij Schenkeldijk 1920-1943. Bron: Archief Coöperatieve Warmwatervlasroterij ‘Schenkeldijk’, inv.nr. 20015. Roting Controleboeken.

In een verslag van de gemeenteraad werd in het Nieuwsblad in 1921 de toekomst van ’s-Gravendeel donker genoemd, vooral door de stand in de vlasindustrie.(75)

In 1922 moest een lid van de Coöperatie zijn bedrijf staken wegens de slechte toestand van de vlasserij. In dat jaar werd ook geen dividend aan de leden uitgekeerd. In 1924 en 1928 was er echter weer volop werk in het vlas, wat voor ’s-Gravendeel van groot belang was, omdat zij ‘in hoofdzaak aangewezen is op de vlasserij.’(76)

Tijdens de wereldcrisis in de jaren dertig van de twintigste eeuw daalde de werkgelegenheid in de vlasindustrie weer sterk. Vooral de jaren 1931-1933 waren ronduit slecht, ook voor de Coöperatie. De salarissen van de stoker en de schevenjongen werden verlaagd.

Het toenmalige college van Burgemeester en Wethouders bracht in december 1930 een bezoek aan het departement van Arbeid, Handel en Nijverheid om steunverlening te vragen. Deze steun, in de vorm van een renteloos voorschot aan de vlassers, voor het behoud van de werkgelegenheid en het voortbestaan van de vlasindustrie, duurde anderhalf jaar en werd op 27 mei 1933 beëindigd.(77)

Tussen 1910 en 1930 werd volop gemechaniseerd, waardoor minder mensen nodig waren in het vlas. Dat de mechanisatie arbeidsplaatsen kostte blijkt uit een bericht in het Nieuwsblad in 1933: ‘Enkele vlasfabrikanten hebben hunne fabrieken voorzien van de modernste bewerkingsmachines waardoor weer gezinnen broodloos worden. Een nekslag voor onze arme gemeente.’(78)

Uit onderstaand overzicht van aantal verleende vergunningen (zie tabel 16) blijkt dat tussen 1919 en 1946 vijfentwintig vergunningen voor het oprichten van vlasfabrieken (inclusief machines) en zeven vergunningen voor machines werden aangevraagd en afgegeven.

Tabel 16. Verleende vergunningen in ’s-Gravendeel 1919-1946(79)

Jaar

Machine

Schuur

Vlasfabriek

Eindtotaal

1919

1

 

2

3

1920

2

 

7

9

1925

 

 

1

1

1927

 

 

1

1

1928

 

1

3

4

1929

 

1

2

3

1933

 

 

1

1

1934

1

 

3

4

1937

2

 

2

4

1938

 

1

 

1

1940

 

1

3

4

1946

1

 

 

1

Totaal

7

4

25

36

In die tijd kwamen ook de warmwaterroterijen op. In 1919 werden in ’s-Gravendeel de eerste rootbakken bij de Gebr. G. en P.J. Visser aan de Smidsweg in gebruik genomen en op 11 augustus 920 begon de Coöperatieve Warmwatervlasroterij Schenkeldijk in ’s-Gravendeel met roten.(80)

In de notulen werden een aantal redenen genoemd om de Coöperatie op te richten. De toenemende mechanisatie speelde een duidelijke rol. Door de toename aan krachtmotoren met bovendien steeds minder beschikbare arbeidskrachten voor het roten werd een andere manier van roten noodzakelijk. Ook moest er meer vlas worden geroot om in de wintertijd de ‘veel verwerkende machinerieën aan den draai te kunnen houden’.(81)

Om de grote investeringen bij de mechanisatie rendabel te maken moest de vlasindustrie het hele jaar door gaan produceren. In die periode stond de vlasbewerking nog maar een korte tijd in het jaar stil. In de grote bedrijven werd zoveel oud vlas op voorraad gehouden en verwerkt, tot het nieuwe vlas in de zomermaanden gearriveerd was.(82)

Rond 1929 werkten de eerste twee bedrijven in ’s-Gravendeel met een volautomatische vlasturbine, na de Tweede Wereldoorlog werkten al 22 bedrijven met een turbine.(83) Een turbine kon veel meer kilo’s per uur verwerken met minder mensen. Een turbine maakte zo’n tachtig à honderd kilo vlaslint per uur tegen een kilo of vier met de hand.(84)

Na de crisisjaren verbeterde de werkgelegenheid. In ’s-Gravendeel werd in nieuwe vlasfabrieken en machines geïnvesteerd. Uit het vergunningoverzicht in bijlage 13 blijkt dat tussen 1930 en 1940 negen vlasfabrieken en roterijen werden gebouwd of uitgebreid. Het starten of uitbreiden van een bedrijf was in die jaren geen ongewoon verschijnsel als reactie op de grote werkloosheid.

In 1939 had ’s-Gravendeel tien warmwaterroterijen. Het aantal bakken en de capaciteit waren in Zuid-Holland het grootst in ’s-Gravendeel (zie hoofdstuk 3.3.2). Volgens het Nieuwsblad had
’s-Gravendeel in 1940 27 vlasfabrieken en 8 roterijen met 40 rootbakken.(85)

De Tweede Wereldoorlog was niet in alle opzichten nadelig voor ’s-Gravendeel, omdat de oorlogsindustrie het vlas nodig had. Er ontstond behoefte aan linnen, vooral hospitaallinnen en schietkatoen.(86)

In deze periode werd geen katoen meer ingevoerd en was er veel vraag naar vlas. Uit de cijfers van de uitvoer van bewerkt vlas tussen 1940 en 1946 (zie tabel 17) is duidelijk te zien dat de productie van vlaslint in 1942 en 1943 sterk toenam en dat veel vlas naar Duitsland werd uitgevoerd.

Tabel 17. Uitvoer bewerkt vlas uit Nederland (aantallen in 1000 kg) 1940-1946(87)

Jaar

Totaal

België

Frankrijk

Groot-Brittannië

Duitsland

USA

Zweden

Overig

1940

3.981

745

769

1506

558

179

62

162

1941

1.604

744

 

 

778

 

30

52

1942

5.184

3154

 

 

2030

 

 

 

1943

6.083

2502

 

 

3581

 

 

 

1944 en 1945

?

 

 

 

 

 

 

 

1946

5.289

1591

468

918

 

247

119

1875

Voor de Coöperatie was de Tweede Wereldoorlog een minder goede tijd. In 1944 kwam de roterij te liggen in het inundatiegebied, waardoor de fabriek onder water kwam te staan. Bovendien werd in januari 1945 de schoorsteenpijp door de Duitsers opgeblazen.

Pas in 1947 werd de roterij herbouwd door het gebrek aan materieel en werkkrachten in het bouwbedrijf. De roterij had toen acht rootbakken met een inhoud van 5000 kilo per bak.(88) In 1948 begon men weer met roten.