logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Vervolg (2) hoofdstuk 4 "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

4.2.3    Vlasteelt en vlasbewerking in ‘s-Gravendeel

4.2.3.1 Algemene beschrijving van de vlasserij in ‘s-Gravendeel

Tot ongeveer 1900 werd de vlasserij in alle dorpen van de Hoeksche Waard uitgeoefend. In het begin van de twintigste eeuw concentreerde de vlasbewerking in de Hoeksche Waard zich op het oostelijk deel van het eiland, rond ’s-Gravendeel en Westmaas.(45)

Het meeste vlas, dat in ’s-Gravendeel werd verwerkt, kwam uit andere provincies. De vlassers van ‘s-Gravendeel pachtten gronden in Zeeland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Groningen en later Flevoland en vervoerden het vlas naar hun woonplaats. Soms werd het vlas geplukt door ’s-Gravendelers, die dan een tijd van huis weg waren.(46)

Gebr. G. en P.J. Visser, de grootste vlasserij in ‘s-Gravendeel, had ook overeenkomsten met een aantal vaste commissionairs, die land huurden voor de firma, de teelt in de gaten hielden en voor het vervoer naar ’s-Gravendeel zorgden.

Het gerepelde vlas uit Groningen, de ‘Groningse bossies’, dat daar door de boeren zelf was gezaaid en in de winter gerepeld, kwam per trein of per boot naar ’s-Gravendeel. Met de komst van de vrachtauto verdween het vervoer per trein en per schip (zie foto 8).

Foto 8 Schip geladen met vlas
Foto 8. Schip geladen met vlas.

De vlasserij was een zeer riskant bedrijf omdat het maar één product verwerkte in tegenstelling tot de landbouw, dat meerdere gewassen kon verbouwen. Het eindproduct van de ’s-Gravendeelse vlasindustrie, het vlaslint, werd grotendeels geëxporteerd naar Groot-Brittannië, Ierland en Duitsland en een deel ging naar de spinnerijen in Nederland. Het vlaslint werd op het bedrijf opgekocht door handelaren.

Tussen 1912 en 1930 werkten in ’s-Gravendeel 36 bedrijven met 310 zwingelmolens, waar naar schatting ongeveer 500 mensen werkten.(47) Het waren vaak familiebedrijven: in de naam van de vlasserij is vaak ‘en zoon’ of ‘gebroeders’ toegevoegd.

Uit de interviews bleek duidelijk dat hele families in het vlas zaten: vaders en zonen, broers, ooms en neven (zie ook bijlage 9: familieverbanden op basis van aandelenoverdracht Coöperatie). Het was vaak noodzakelijk, gezien de vaker voorkomende familienamen, aan de naam een aanduiding ‘zoon van’ toe te voegen (zie bijlagen 10 en 11).

De vlasindustrie in ’s-Gravendeel bestond na de Tweede Wereldoorlog uit één groot bedrijf, de Gebr. G. & P.J. Visser, waar zo’n zestig tot honderd mensen werkten, ongeveer zeventien middelgrote bedrijven met tien tot vijfentwintig mensen in dienst, en ongeveer vijftien kleine bedrijven met twee tot vijf werknemers (zie tekening 9(48)).

Sommige firma’s hadden geen eigen rootbakken, die lieten in loon roten bij andere vlassers, bijvoorbeeld de firma Weduwe M. Visser. Vlassers zonder turbine lieten het vlas zwingelen bij een loonzwingelarij.

Tekening 9 Verspreiding vlasserijen in 's-Gravendeel en Schenkeldijk
Tekening 9. Verspreiding vlasserijen in ’s-Gravendeel en Schenkeldijk.

Er waren heel veel slechte jaren in het vlas en op de goede jaren moesten de vlassers zuinig zijn. Als het niet nodig was, en de prijs was te laag, dan werd een deel van het vlas niet verkocht. Nadat de productie was gestopt, heeft het drie of vier jaar geduurd voordat het laatste vlas was verkocht.(49)

Dat de Gebr. G. & P.J. Visser tot het grootbedrijf kan worden gerekend, blijkt naast het aantal werknemers ook uit het feit dat het bedrijf met twee turbines werkte in een tweeploegendienst.

Naast de vlasbewerking begonnen de broers na de Tweede Wereldoorlog ook met de export van vlaslint en lijnzaad naar verschillende Europese landen, maar ook naar Canada en soms zelfs naar Argentinië, Kenia en Korea. Deze wereldwijde export was af te zien aan de visitekaartjes, papieren, labels, monsterlijsten, die in het Frans, Duits en Engels werden gemaakt.(50)

Als enige vlasser in ’s-Gravendeel had de firma een administrateur in dienst voor de administratie en boekhouding. De Gebr. Visser was het enige bedrijf in ’s-Gravendeel dat alle handelingen in de keten van lijnzaad tot en met het vlaslint zelf deden. Ze kochten zelf vlas in, bewerkten het tot vlaslint en zaaizaad, exporteerden het lint en het zaad zelf en verwerkten lokken. ‘Ik denk dat daar de kracht lag van de bedrijfsvoering.’(51)

De Gebr. Visser hadden ook een voorsprong qua kapitaal, dat ze met de smokkel van vlas uit het bezette België naar Nederland hadden verdiend tijdens de Eerste Wereldoorlog.(52)

De vraag kan gesteld worden waarom de Gebr. Visser (een deel van) de overige bedrijven niet opkocht. Het antwoord moet deels gezocht worden in het willen behouden van de eigen zelfstandigheid. Vlassers waren individualistisch ingesteld, zoals burgemeester Verplanke het verwoordde tijdens het veertigjarig jubileum van de Coöperatie.(53) Bovendien speelde waarschijnlijk een rol dat veel vlassers familie van elkaar waren en die stoot je het brood niet uit de mond.

Foto Coöperatieve Warmwatervlasroterij Schenkeldijk
Foto 9. Coöperatieve Warmwatervlasroterij ‘Schenkeldijk’. Foto Rob Kamminga.

Als het krijgen van bezoek van hoogwaardigheidsbekleders een criterium kan zijn voor de grootte van een bedrijf, dan waren naast de Gebr. G. & P.J. Visser, die in 1948 bezoek kregen van Prins Bernhard, ook het vlasbedrijf van J. Huisman aan de Schenkeldijk en de Coöperatieve Warmwatervlasroterij ‘Schenkeldijk’ (zie foto 9), die in 1958 bezocht werden door de Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, vrij grote bedrijven.(54)

Op de Schenkeldijk hadden een aantal middelgrote en kleine vlassers gezamenlijk op 1 juni 1920 de Coöperatieve Warmwatervlasroterij ‘Schenkeldijk’ opgericht, hierna de Coöperatie genoemd. De oprichting van de Coöperatie was geen reactie op het grootbedrijf van de Gebr. Visser, maar een mogelijkheid voor de kleine en middelgrote vlassers op de Schenkeldijk om de nieuwe technologie, het warmwaterroten, te kunnen toepassen.(55)

Voor kleine bedrijven waren de investeringen in kostbare stoommachines en het in dienst nemen van een stoker vaak te hoog gegrepen. Een coöperatie was een manier om gezamenlijk te roten, maar toch een zelfstandig bedrijf te blijven.

Een onderzoek naar de belangstelling om deel te nemen aan de Coöperatie viel mee en in april 1920 werden 120 aandelen gekocht door vijftien vlassers. De roterij begon met een stoomketel van 32 vierkante meter verwarmingsoppervlakte en een machine van tien pk met drie rootbakken, later uitgebreid met twee rootbakken.

In datzelfde jaar vroegen de Gebr. Visser een machine met 25 pk aan. Als brandstof werden vlasscheven gebruikt of, als de voorraad scheven niet voldoende was, kolen en later stookolie. De roterij had van maart tot en met oktober een stoker en een schevenjongen of assistent-stoker, in dienst.(56)

De verdeling van de rootbakken over de vlassers ging naar rato van het aantal aandelen en werd in een schema bijgehouden. De grotere vlassers hadden twee permanente bakken en af en toe nog een bak.(57)

Op de Schenkeldijk waren naast de Coöperatie Schenkeldijk nog twee zelfstandige vlassers, waaronder J. Huisman, met eigen rootbakken werkzaam. Als ze ruimte over hadden, konden de vlassers van de Coöperatie ook daar nog gebruik van maken.(58)

Om een idee van de verhouding tussen de grootte van het bedrijf van de Gebr. Visser en de grootte van de Coöperatie te krijgen, is het nuttig om het aantal gerote kilo’s vlas tegen elkaar af te zetten. Dan blijkt uit tabel 12 dat de Coöperatie meestal 50-60% van de gerote hoeveelheid vlas van de Gebr. Visser verwerkte.

Tabel 12. Percentage geroot vlas Coöperatie Schenkeldijk t.o.v. van Gebr. G. en P.J. Visser 1941-1964(59)

Gebr. G. en P.J. Visser

 

Coöperatie Schenkeldijk

 

Percentage Coöperatie t.o.v. Gebr. Visser

Jaar

Bakken

Kilo's

Jaar

Bakken

Kilo's

Percentage

1941

339

2.440.800

1941

303

1.212.000

50%

1942

331

2.383.200

1942

289

1.156.000

49%

1943

371

2.671.200

1943

322

1.288.000

48%

1944

294

2.116.800

1944

0

0

0%

1945

85

612.000

1945

0

0

0%

1946

188

1.353.600

1946

0

0

0%

1947

277

1.994.400

1947

0

0

0%

1948

287

2.066.400

1948

48

240.000

12%

1949

370

2.664.000

1949

355

1.775.000

67%

1950

378

2.721.600

1950

366

1.830.000

67%

1951

415

2.988.000

1951

343

1.715.000

57%

1952

386

2.779.200

1952

380

1.900.000

68%

1953

342

2.462.400

1953

281

1.405.000

57%

1954

351

2.527.200

1954

272

1.360.000

54%

1955

457

3.290.400

1955

340

1.700.000

52%

1956

370

2.664.000

1956

293

1.465.000

55%

1957

349

2.512.800

1957

302

1.510.000

60%

1958

306

2.203.200

1958

260

1.300.000

59%

1959

310

2.232.000

1959

247

1.235.000

55%

1960

272

1.958.400

1960

207

1.035.000

53%

1961

336

2.419.200

1961

266

1.330.000

55%

1962

309

2.224.800

1962

223

1.115.000

50%

1963

305

2.196.000

1963

222

1.110.000

51%

1964

330

2.376.000

1964

285

1.425.000

60%

De vlassers van ’s-Gravendeel waren ook actief in verschillende vlassersverenigingen. Tussen 1956 en 1968 bestond de Vlasscheven-Combinatie, een club van vlasproducenten verspreid over heel Nederland, waarbij ongeveer driekwart van de vlassers was aangesloten.(60)

Het doel was een regelmatige afzet voor het afvalproduct vlasscheven tegen een redelijke prijs, zonder tussenkomst van de tussenhandel. Van de 27 leden kwamen 16 vlasproducenten uit ’s-Gravendeel. In het bestuur kwamen de voorzitter en drie van de vier bestuursleden uit ’s-Gravendeel.(61) Deze oververtegenwoordiging van ’s-Gravendeelse vlassers laat naar mijn mening de belangrijkheid van de vlasindustrie van ’s-Gravendeel zien.

Ook de leden van de Coöperatieve Warmwatervlasroterij verkochten rond die tijd de scheven in plaats van te gebruiken als brandstof voor de roterij, omdat de prijs van de scheven zo hoog was.(62) Uit onderstaande tabel (tabel 13) blijkt dat de topproductie van de vlasscheven lag in het jaar 1961/62, waarna de productie afnam, met nog een korte opleving in 1964/65.

Het aantal scheven, een afvalproduct in de vlasbewerking, heeft natuurlijk een directe relatie met het aantal bewerkte kilo’s vlas. De jaren 1961 en 1964 betekende ook voor de Gebr. Visser en de Coöperatie een korte opleving in de periode tussen 1956 en 1968.

Tabel 13. Productie vlasscheven Vlasscheven-Combinatie 1957-1969(63)

Jaar

Hoeveelheid scheven in tonnen

Jaar

Hoeveelheid scheven in tonnen

Jaar

Hoeveelheid scheven in tonnen

1957/58

4.537

1961/62

7.466

1965/66

6.604

1958/59

5.477

1962/63

5.708

1966/67

4.452

1959/60

5.738

1963/64

5.656

1967/68

2.711

1960/61

6.621

1964/65

7.064

1968/69

1.537

Vergeleken met de andere vlasdorpen in Zuid-Holland gold de oververtegenwoordiging van ’s-Gravendeelse vlassers ook voor de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Vlasindustrie (zie tabel 14).

Tabel 14. Gemiddeld aantal leden Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Vlasindustrie
1894-1936(64)

Periode

Barendrecht

Hendrik-Ido- Ambacht

Ridderkerk

‘s-Gravendeel

Rijsoord

1894-1899

3

12

4

7

 

1900-1904

4

9

 

19

 

1905-1909

2

12

10

32

 

1910-1914

3

13

11

33

13

1915-1919

3

12

 

38

 

1920-1924

3

14

 

41

 

1925-1929

4

8

 

35

 

1930-1936

3

7

4

34

10