logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Vervolg (2) hoofdstuk 3 "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

3.3 Zuid-Holland

3.3.1 Vlasteelt in Zuid-Holland

Begin achttiende eeuw verplaatste de vlasteelt zich van de zandgronden in de oostelijke provincies naar de kleigronden op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden.(34)

In 1781 werd door de Maatschappij ter bevordering van den Landbouw in Amsterdam de volgende prijsvraag uitgeschreven: ‘Welke zijn de oorzaaken, dat de vlasteelt, die voor deezen hier te lande aan zo veele handen werk verschafte, tegenwoordig in verval geraakt is?’

Uit de inzendingen op de prijsvraag bleek dat niet in alle delen van het land de vlasteelt in verval was geraakt. In Zeeland en Zuid-Holland bloeide de vlasteelt volgens J.D. Huichelbos van Liender, lid consultant van het Bataafsch Genootschap te Rotterdam. Tal van vlasboeren op de eilanden ‘tusschen de Maaze en de Provintie van Zeeland gelegen’ zijn door de vlasserij vermogend geworden.(35)

Volgens Lambertus Aartsen, predikant te Voorhout, die één van de antwoorden op de prijsvraag indiende, was de ‘vlasteelderij’ zeer belangrijk in ‘het Land voor Voorne en Putten, gelijk ook in het Land van Strijen en IJsselmonde tot bij en omtrent Dordrecht’.(36)

Aan het einde van de negentiende eeuw en in het begin van de twintigste eeuw werd in Nederland hoofdzakelijk vlas verbouwd in Zeeuws-Vlaanderen, Groningen, Friesland, de Zuid-Hollandse eilanden en Noord-Brabant (zie grafiek 9).

Grafiek 9 Percentage beteelde hectaren vlas per provincie
Grafiek 9. Percentage beteelde hectaren vlas per provincie in Nederland 1875-1935.
Bron: Mededeelingen, 1875-1935.

Vanaf 1900 werd ongeveer zestig procent van het vlas geteeld in Zeeland en Groningen gezamenlijk. Het aandeel van de provincie Zuid-Holland schommelde in de negentiende eeuw tussen tien en vijftien procent van de Nederlandse vlasteelt, tussen 1900 en 1920 daalde dit percentage tot gemiddeld tien procent en na 1920 nam het aandeel verder af tot rond de zes procent.

Na 1935 werd ook veel vlas geteeld in de Wieringermeerpolder (Noord-Holland), de Noordoostpolder en de Flevolandpolders in Flevoland.(37)

De grondstof voor de vlasserijen in Zuid-Holland werd deels op de eilanden zelf geteeld. Omdat vlas maar eens in de zeven jaar op hetzelfde areaal kan worden verbouwd, om de kans op plantenziekten te verkleinen, was het areaal vlasgrond op de Zuid-Hollandse eilanden beperkt. Meestal werd tussen 1860 en 1940 ongeveer op tien procent van het areaal vlas verbouwd.(38)

Vlasboeren verwerkten het zelf verbouwde vlas, maar kochten of verbouwden vooral elders vlas, meestal in Zeeland, West-Brabant, Groningen, Noord-Holland en later in Flevoland.

Vlasland kon worden verpacht op conditie van ‘ordinair beraad’ of van ‘stikstavast’. Bij ordinair beraad werd een pachtsom overeengekomen, die met Sint-Jan (24 juni) nog kon worden herzien als het gewas tegenviel. Bij huur op basis van ‘stikstavast’ huurde de vlasser het land tegen een vaste prijs en was geen latere verlaging van de huurprijs mogelijk als de opbrengst lager was dan normaal. De pachtsom was voor ‘ordinair beraad’ een stuk hoger dan voor ‘stikstavast’.

3.3.2 Vlasbewerking in Zuid-Holland

De Zuid-Hollandse eilanden waren vanouds het centrum van de vlasbewerking in Nederland en de enige streek, die vlas op grote schaal van elders betrok om te verwerken. Al in de achttiende eeuw pachtten de Zuid-Hollandse vlassers land in Zeeland, West-Brabant en Noord-Holland om vlas te telen, later ook in Groningen en Flevoland.(39)

Na 1750 vond een sterke opleving plaats in de vlasbouw en het vlasbedrijf op de Zuid-Hollandse eilanden. De belangrijkste centra van de vlasnijverheid bevonden zich in de dorpen Oud-Beijerland en later ’s-Gravendeel in de Hoeksche Waard en in Hendrik-Ido-Ambacht en Ridderkerk/Rijsoord op IJsselmonde. De oppervlakte aan vlasland dat buiten de eigen gemeente werd gehuurd, was vele malen groter dan het vlasland in de vlasdorpen zelf.(40)

Damsma en Noordegraaf verklaren de concentratie van de vlasbewerking op IJsselmonde en in de Hoeksche Waard uit de gunstige fysisch-geografische omstandigheden op deze eilanden. Het zeer zoete gehalte en de hoge stand van het slootwater en de samenstelling van de kleibodem waren bijzonder geschikt voor slootroten.(41)

Het vlas, ‘Hollands blauw’, was verhoudingsgewijs van een zeer goede kwaliteit, waarvoor goede prijzen werd gekregen. Volgens Brouwers benaderde de vlasindustrie op verschillende plaatsen op de Zuid-Hollandse eilanden de kwaliteitsbereiding van de Leiestreek in België.(42)

Bovendien hadden de Zuid-Hollandse eilanden een gemakkelijke verbinding over land of over water met eerst Dordrecht en later Rotterdam, waardoor export niet al te hoge transportkosten met zich meebracht. De vlashandel exporteerde immers gemiddeld dertig procent van het bewerkte vlas naar Engeland. Door deze gunstige omstandigheden verwerkten de eilanden veel vlas van elders.(43)

Reedijk en ‘Beschrijving der vlascultuur’ noemen in hun verklaring ook het grote aantal aanwezige arbeidskrachten voor de landbouw, die buiten het landbouwseizoen aan het werk konden worden gehouden met het bewerken van vlas.(44) Verschillende jonge landbouwers, die geen landbouwbedrijf erfden of konden pachten, zagen in het bewerken van vlas een mogelijkheid om een bestaan op te bouwen. Ook veel ondernemende arbeiders probeerden in het vlas een zelfstandig bestaan op te bouwen.(45)

Alleen op de Zuid-Hollandse eilanden was de welvaart van een deel van de bevolking in meerdere of mindere mate afhankelijk van de vlasindustrie. Het ging vooral om de gemeenten Ridderkerk en Hendrik-Ido-Ambacht op IJsselmonde en ’s-Gravendeel in de Hoeksche Waard.(46)

Het totaal aantal arbeidsplaatsen in de vlasbewerking blijkt niet uit beroepstellingen, omdat vlasarbeiders in deze tellingen niet apart werden onderscheiden. Maar Damsma en Noordegraaf concluderen aan de hand van detailonderzoek naar de beroepsstructuur van enkele vlasdorpen op de Zuid-Hollandse eilanden dat in het begin van de negentiende eeuw zeker veertig procent van de totale beroepsbevolking in het vlas werkzaam was. Tijdens de hoogconjunctuur na 1860 liep dit aantal in de belangrijkste centra op tot vijftig procent of meer.(47)

Het bewerkte vlas van de Zuid-Hollandse eilanden werd grotendeels verkocht aan de beurs van Rotterdam, waar ook het vlas uit andere delen van het land werd aangevoerd (zie grafiek 10). Tot 1865 werd in Dordrecht wekelijks een vlas- en lijnzaadmarkt gehouden.

Naarmate Rotterdam als handelsstad in betekenis toenam verplaatste de vlashandel zich echter naar Rotterdam. Niet alleen was Rotterdam voor alle eilanddorpen en het vasteland van Zuid-Holland goed bereikbaar, het had ook de meeste scheepvaartverbindingen met het buitenland.(48)

Grafiek 10 Uitvoer bewerkt vlas
Grafiek 10. Uitvoer bewerkt vlas uit Rotterdam en de rest van Nederland 1889-1915.
Bron: Statistiek van den in-, uit- en doorvoer over het jaar
1878-1917.

De vlasindustrie werd op de Zuid-Hollandse eilanden uitgeoefend in fabriekmatige bedrijven en door landbouwers, die naast de landbouw vlas bewerkten. De grote vlasserijen met mechanische beweegkracht vond men hoofdzakelijk in de gemeenten Ridderkerk, Hendrik-Ido-Ambacht en ’s-Gravendeel.

Rond 1910 waren er negentien machinale vlasserijen in Zuid-Holland (zie tabel 4). Daarnaast werd in Zuid-Holland handmatig vlas bewerkt in 650 vlasserijen met 2.260 arbeiders.

Tabel 4. Machinale vlasserijen in Zuid-Holland met aantal arbeiders in 1906(49) en 1912( 50)

Zuid-Holland

Machinale vlasserijen in 1906

Aantal arbeiders in 1906

Machinale vlasserijen in 1912

Aantal arbeiders in 1912

Barendrecht

1

35

 

 

’s-Gravendeel

4

125

4

131

Hendrik-Ido-Ambacht

6

180

7

213

Ridderkerk

6

190

7

237

Heerjansdam

1

25

 

 

Heinenoord

1

30

 

 

Puttershoek

 

 

1

16

Totaal Zuid-Holland

19

585

19

597

 
Uit de verschuiving van het aantal machinale vlasserijen blijkt dat de industrie zich in 1912 sterker concentreerde rond de drie vlasdorpen Ridderkerk, Hendrik-Ido-Ambacht en ’s-Gravendeel dan ten opzichte van 1906. Ongeveer de helft van de veertig vlasserijen in Nederland met tien of meer arbeiders stond in 1912 in Zuid-Holland, waarin ongeveer zes honderd arbeiders werkten.

Deze concentratie van de vlasbewerking in de provincie Zuid-Holland blijkt ook uit het aantal roterijen in 1938 en 1943. Het grootste aantal roterijen en ruim de helft van de totale rootcapaciteit was te vinden in Zuid-Holland. In 1938 stonden 19 van de 36 roterijen in Zuid-Holland, in 1943 waren 23 van de 44 roterijen in Zuid-Holland gevestigd.(51)

De warmwaterroterijen namen in Zuid-Holland een belangrijke plaats in: 18 van de 58 vlasbewerkingsbedrijven hadden in 1939 een warmwaterroterij, waarvan meer dan de helft in ’s-Gravendeel (zie tabel 5). De bedrijven zonder roterij lieten veelal bij de warmwaterroterijen in loon roten.(52)

Tabel 5. Warmwaterroterijen op de Zuid-Hollandse eilanden in 1939

Plaats

Aantal roterijen

Aantal bedrijven met

Aantal bedrijven met rootcapaciteit

<5 bakken

5-8 bakken

>8 bakken

<600.000 kg

600.000-800.000 kg

>800.000 kg

Barendrecht

1

1

 

 

 

1

 

s-Gravendeel

10

5

4

1

2

3

5

H-I-Ambacht

1

1

 

 

 

1

 

Maasdam

1

 

1

 

 

 

1

Mookhoek

1

1

 

 

 

1

 

Rhoon

1

 

1

 

 

 

1

Rijsoord

2

1

 

1

1

 

1

Zuidland

1

 

1

 

 

 

1

Totaal

18

9

7

2

3

6

9

In 1939 werd naar schatting 21.000 ton vlas gezwingeld in Zuid-Holland, tachtig procent met twintig machinale turbines en twintig procent met ongeveer 180 zwingelmolens. De verdeling over de gemeenten in Zuid-Holland is vrijwel gelijk aan die van de warmwaterroterijen. In heel Nederland werd in dat jaar naar schatting 75.000 ton vlas gezwingeld, zodat Zuid-Holland toen 28% van het vlas in Nederland zwingelde.

Sinds 1939 werd de vlasindustrie op de Zuid-Hollandse eilanden meer gerationaliseerd en gemechaniseerd dan in de rest van het land. In 1943 is het aantal turbines in Zuid-Holland uitgebreid tot 32, terwijl in Nederland totaal 66 turbines aanwezig waren.(54)

Als we tabel 4 vergelijken met tabel 5 dan zien we een opvallende verschuiving van de vlasbewerking in Zuid-Holland. Hadden in 1906 en in 1912 Hendrik-Ido-Ambacht en Ridderkerk meer machinale vlasbedrijven dan ’s-Gravendeel, in 1939 is ’s-Gravendeel duidelijk de twee andere plaatsen voorbij gestreefd.

Uit bovenstaande beschrijving van de vlasteelt en vlasbewerking in Europa en Nederland is duidelijk geworden dat bij de vlasteelt Rusland verreweg de grootste producent van vezelvlas was in Europa en in de wereld. De Nederlandse verbouw bedroeg slechts ongeveer 1% van het Russische areaal.

Qua kwaliteit behoorden het Nederlandse, Belgische en Franse vlas wel tot het beste in de wereld. De teelt en de productie van vlas ondervonden niet alleen concurrentie van het goedkope Russische vlas, maar ook van goedkoop katoen in de loop van de negentiende eeuw en van synthetische vezels vanaf de jaren zestig in de twintigste eeuw.

De vlasteelt en de vlasbewerking in Nederland was aan schommelingen onderhevig. Bloeiperiodes waren vooral de periode 1860 tot 1870, toen de katoenproductie in Amerika wegviel door de Amerikaanse burgeroorlog, de beide wereldoorlogen door een sterk gestegen behoefte aan linnen en de jaren vijftig ten tijde van de Koude Oorlog en de Koreaanse Oorlog.

Na 1964 zakte de vlasteelt en de vlasbewerking volledig in. Nederland voerde het onbewerkte vlas uit naar België en het bewerkte vlas ging vooral naar Groot-Brittannië, Duitsland en België.

In Nederland waren voor de vlasteelt vooral de provincies Zeeland en Groningen belangrijk, waar tussen 1900 en 1935 ongeveer zestig procent van het geteelde vlas vandaan kwam. Later kwamen daar de nieuw ontgonnen polders in Noord-Holland en Flevoland bij.

De vlassers in Zuid-Holland verwerkten het zelf verbouwde vlas, maar kochten of verbouwden veel vlas elders, vooral in Zeeland, West-Brabant, Groningen, Noord-Holland en Flevoland.

Uit de cijfers van de vlasbewerking blijkt duidelijk dat de Zuid-Hollandse eilanden het centrum waren van de vlasindustrie in Nederland. In de twintigste eeuw waren meer dan de helft van het aantal zwingelturbines, roterijen en machinale vlasserijen gelokaliseerd in Zuid-Holland. Dit was vooral te danken aan genoeg vakbekwame arbeiders, geschikt rootwater en een goede verbinding met Rotterdam.

Vooral de gemeenten Ridderkerk, Hendrik-Ido-Ambacht en ’s-Gravendeel waren vlasdorpen, waarin meer dan vijftig procent van de totale beroepsbevolking in het vlas werkzaam was.