logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Vervolg (1) Hoofdstuk 2 "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

2.2  Vlasbewerking

Het doel van de bewerkingen van het vlas is het afzonderen van de vlasvezel. De geheel gezuiverde vezel, het eindresultaat van de vlasserij, wordt vlaslint genoemd.

De vlasbewerking bestaat uit een aantal handelingen, namelijk repelen, roten, braken, zwingelen en opmaken. De vlasbewerking, die vroeger plaats vond als nevenactiviteit op boerenbedrijven, is langzaamaan tot een zelfstandige industrie in de vlasserijen, ook wel vlasfabrieken genoemd, uitgegroeid.

Deze scheiding van vlasbouw en vlasindustrie, dus van vlasteelt en vlasbewerking, stamt uit de laatste 25 jaar van de negentiende eeuw.(26) De eerste stoommachines in de vlasserijen werden in 1865 in gebruik genomen.(27)

2.2.1 Repelen

Repelen is de eerste bewerking na de oogst en het drogen van het vlas en begint ongeveer half augustus. Het doel is het verwijderen van de zaadbolletjes. Tot omstreeks 1900 gebeurde het ontzaden van het vlas via handmatig repelen (zie tekening 3).(28) In een half uur werden ongeveer twintig schranken gerepeld.(29)

Repel met repelbank

Daarna werd langzaamaan de repelmachine ingeschakeld. In de jaren dertig werden de eerste doelmatige repelmachines in België gemaakt, die later door de firma Barth in ’s-Gravendeel werden vervaardigd.(30)

Het gerepelde vlas werd gebonden tot bossen, op de Zuid-Hollandse eilanden werd deze handeling opboten genoemd. Een boot was een hoeveelheid vlas dat met ongeveer twee handen te omspannen was. Het opboten werd meestal door vrouwen en meisjes gedaan.(31)

Om de zaadbollen van het kaf te ontdoen gebruikte men de windmolen of kafmolen, die met de hand gedraaid werd. De aldus geschoonde zaadbollen werden vervolgens gebroken en geschoond om lijnzaad te krijgen. Het bollenbreken werd eerst door paarden of met paard en wagen gedaan, later door een machine, de bollenbreker.

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw verschijnt een gecombineerde machine, waarin het vlas werd gerepeld, de bollen werden gebroken, het zaad geschoond en het vlas gebonden. De gebroken bolomhulsels werden het bolkaf genoemd.

Sinds de Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK) bestaat (1932) werd het zaad tijdens de groei op het land gekeurd en later, als het schoon was, nog een keer. De goede zakken zaad werden geplombeerd en als zaailijnzaad verkocht. De mindere soorten zaad gingen als slagzaad naar de olieslagerijen, waar de lijnolie eruit geperst werd en van het restant werden lijnkoeken voor het vee gemaakt.

2.2.2 Roten

In de reeks van bewerkingen neemt het roten een centrale plaats in. Voor de kwaliteit van het vlaslint is het verloop van dit proces van groot belang. Het doel van het roten is het losweken van de pectine waarmee de vezel aan de houtpijp is gekleefd, zodat de vezel vrij komt te liggen. Er zijn twee methoden van roten: dauwroten met behulp van schimmels en waterroten door bacteriën.(32)

In water komen de op het vlas aanwezige bacteriën tot ontwikkeling en deze lossen de pectine op. Waterroten kan in koud en warm water plaatsvinden.

Bij het dauwroten wordt het vlas in een dunne laag op het veld uitgespreid en door de dauw of de regen worden de vlasstengels losgeweekt met behulp van schimmels.(33) Dit duurde drie tot zeven weken.

Dauwroten was goedkoper dan waterroten, maar de kwaliteit was aanmerkelijk minder, terwijl de verdere behandeling (braken en zwingelen) nog ongezonder was dan bij waterroten. Meestal werd slechts vlas van slechtere kwaliteit gedauwroot.

In Nederland werd een beperkt areaal vlas gedauwroot, voornamelijk in Zeeland. Omdat deze methode alleen uitgevoerd kan worden op goed waterdoorlatende gronden zijn de toepassingsmogelijkheden beperkt. Bovendien levert deze methode slagzaad op en géén zaaizaad.(34)

Het waterroten kan plaatsvinden in stilstaand koud water, in stromend koud water of in warm water.(35) Bij het roten in stilstaand koud water werd het vlas in een sloot of put met stilstaand water gelegd en met modder onder water gehouden. Het lint werd hiervan blauwachtig van kleur, het vlas was dan ook bekend als blauw vlas.(36) Dit proces duurde één tot drie weken.37 Deze methode werd in Groningen en in de zuidwestelijke provincies gebruikt. Het Zuid-Hollandse vlas behoorde met het Leie-vlas uit België tot de fijnste handelssoorten.(38)

Bij het roten in stromend koud water werd het vlas in bakken gestapeld, die met behulp van zware stenen onder water werden gehouden. Het voordeel van deze methode was dat er geen modder bij nodig was, integendeel het stromende water spoelde direct het vuil weg. Het vlas kreeg bij deze werkwijze een blanke kleur.(39) Deze manier van roten duurde zeven tot tien dagen, werd vooral gebruikt in West-Vlaanderen en werd wel de Kortrijkse methode genoemd.(40) In Nederland werd deze rootmethode onder andere toegepast in Rijsoord en Maasdam op de Zuid-Hollandse eilanden.

Omstreeks het begin van de twintigste eeuw kwam het warmwaterroten op.(41) Volgens Kleyburg  leidde vooral de oorlogsperiode 1914-1918 tot een betrekkelijk grote uitbreiding.(42) Naar schatting werd in 1933 25% van het bewerkte vlas met warm water geroot, in 1943 is dat percentage gestegen tot zestig procent. Nederland heeft dan 44 warmwaterroterijen tegen naar schatting twintig in 1933. Meer dan de helft (23) nam Zuid-Holland voor zijn rekening.(43)

Een warmwaterroterij bestond uit een aantal betonnen bakken met een stookhuis waarin een grote ketel stond. De bakken waren eerst ongeveer vijftig kubieke meter, later zeventig kubieke meter, waarin één hectare vlas kon worden geroot of meer.(44)

De eerste bakken werden in de fabrieksloods gebouwd en hadden een opening van boven, waardoor het vlas in en uit de bakken werd gehaald en dat kon worden afgesloten met een luik. De latere buitenbakken waren van boven dicht en hadden een schuifdeur in de voorkant voor het vullen en lossen van de bak.

Als stookmateriaal voor de ketel werden scheven, het afval bij het zwingelen, kolen en later stookolie gebruikt. Het water in de rootbakken was ongeveer dertig graden Celsius en door de temperatuur van het water werd het rotingsproces aanmerkelijk versneld.(45) Dit duurde maar twee tot drie dagen.(46)

Het warmwaterroten leverde wit vlas op. Voor het warmwaterroten was veel water nodig, dat na het roten sterk verontreinigd werd geloosd op de sloot of de vliet tot de komst van de Wet op de Waterverontreiniging in 1970. De stijgende kosten voor arbeid en energie en de milieuheffingen hebben het warmwaterroten uit Nederland doen verdwijnen.

Het keuren van geroot vlas vereiste grondige vakkennis. Enkele vlasstengels werden uit de root getrokken en tussen duim en vingers op verschillende plaatsen geknikt. Als de houtkern er los uitgetrokken kon worden, zonder dat er vezels aan vast bleven zitten, dan was het vlas ‘gaar’ (zie foto 3).

Als het rotingsproces te vroeg werd afgebroken, dan gaf dat later problemen bij het zwingelen. Was het vlas te gaar, dan ontstond er te veel afval in de vorm van lokken en snuit.(47)

Vlas keuren en kegelen van vlas
Foto 3 (links) en 4 (rechts). Het keuren van het vlas, als het lint voldoende van de houtstengel is losgekomen, dan is het vlas ‘gaar’ (foto 3). Het kegelen van het gerote vlas (foto 4).
Foto’s C.S. van der Linden.

Na het roten werd het vlas op de weiden uitgezet in kegels om te drogen, maar ook om het vlas een door de zon gebleekte kleur te geven (zie foto 4).(48) Als het vlas aan de buitenzijde voldoende droog was, moest het vlas binnenstebuiten gekeerd worden, zodat ook de binnenlaag kon drogen. Er werden twee of drie kegels tegen elkaar gezet, die samen een hok vormden. Na het roten en drogen werd het vlas gebonden (zie foto 6) en naar de schuur gebracht tot het tijdstip van zwingelen was aangebroken.

Oorspronkelijk was dit een werkvoorraad voor de winter, maar toen de vlasserij door de mechanisatie begin twintigste eeuw een continubedrijf werd, was het de dagvoorraad voor het zwingelen. Toch werd ook voor de winter voldoende voorraad bewaard, omdat men dan niet kon roten.

Het rootseizoen liep van eind maart tot in oktober, omdat in de periode van november tot maart de weersomstandigheden het drogen verhinderden. Er zijn wel pogingen gedaan om het vlas machinaal te drogen, maar door de zeer hoge kosten heeft dit geen grote toepassing gekregen. In ’s-Gravendeel is deze methode nooit toegepast.

Foto 5 en 6 kegels vlas en opbinden van vlas

2.2.3 Braken en zwingelen

Het braken en zwingelen waren erop gericht de houten stengel, waar de vezelbundels door het roten nu los rondom lagen, te verwijderen. Na het drogen van het gerote vlas werd de houtcilinder in de stengel in stukjes gebroken door middel van braken. Het braken gebeurde met de hand met een braakhamer of handbraak.

Eind negentiende eeuw werd de handbraak (zie tekening 4) vervangen door de rolbraak of tonbraak (zie tekening 5), die eerst ook met de hand bediend werd en vanaf ongeveer 1900 machinaal werd voortbewogen. Door het braken spleet en opende de bast, die de vezels bevat, waardoor het zwingelen gemakkelijker ging. De gebroken hout- en bastdeeltjes, de scheven genoemd, werden na het braken door zwingelen verwijderd.

Tijdens het zwingelen gingen ook vezels kapot. Deze korte en stukgeslagen vezels werden met de scheven uit de turbines afgevoerd. Dit waren de lokken of klodden, een vrij waardevol bijproduct van het vlas. De lokken werden soms direct verkocht aan een lokkenboer, die de lokken verder zuiverde door ze opnieuw te braken en te zwingelen.

Het zwingelen met de tribune gaf meer afval in de vorm van lokken dan het handzwingelen.(49) Het zwingelseizoen begon in de herfst en duurde tot het voorjaar, omdat er ’s-winters weinig werk op het land was. In de meer fabriekmatige bedrijven was dat minder van belang.(50)

Tekening 4 en 5 Handbraak en rolbraak

Tot begin twintigste eeuw zwingelde men thuis in de zwingelkooi, een losstaand of aan het huis vastgebouwd schuurtje, of bij een vlasser of landbouwer in de zwingelkeet. Het zwingelen gebeurde eerst met een stok en later met een zwingelbord (zie tekening 6).

De zwingelmolen, de eerste vorm van mechanisatie, werd tussen 1900 en 1920 ingevoerd (zie tekening 7). In 1907 werd de zwingelmolen op de Zuid-Hollandse eilanden slechts zelden gebruikt, rond 1910 was het handzwingelen vrijwel verdrongen door de zwingelmolen en vooral vanaf 1918 vonden de zwingelmolens snel ingang in het kleinbedrijf.(51)

De zwingelmolen was eerst een trapmolen. Ook vrouwen en meisjes gingen nu zwingelen. In de Hoeksche Waard deed een spotrijm in die dagen, toen de vrouwen nog in klederdracht liepen, de ronde:

‘‘s-Zondas lôôpe ze in de crinolien
’s-Maandas staan ze an ’t zwingelmesien’.(52)

Tekening 6 en 7 zwingelbord en zwingelmolen

De zwingelmolen aangedreven door motoren of stoommachines verscheen vanaf 1920. Het stof werd afgezogen en rechtstreeks naar buiten geblazen. In de jaren dertig verschenen de eerste vlasturbines, waarmee het vlas volautomatisch achter elkaar gebraakt en gezwingeld werd (zie foto 7). In de volksmond werd deze machine meestal tribune of tribuun genoemd.

Naar schatting telde Nederland in 1933 tien turbines en in 1943 66.(53) De turbines kwamen eerst uit België, later werden ze gemaakt door Dirk Barth in ‘s-Gravendeel. De lokken en scheven werden automatisch weggezogen naar een aparte ruimte, dat men het ‘duvelhok’ noemde. Daar stond de duvel, een schudmachine, die lokken en scheven van elkaar scheidde. De man die de balen scheven weghaalde en de lokken opruimde was de ‘duvelaar’.

Foto begin vlasturbine, brakelgedeelte Foto middendeel vlasturbine Foto eind vlasturbine met gezwingeld vlas
Foto 7. Vlasturbine. Van links naar rechts: start met brakelgedeelte,
middendeel en einde met gezwingeld vlas. Fotocollectie A.B. de Jong.

2.2.4 Opmaken

De laatste handeling, voordat het vlas naar de spinnerijen ging, bestond uit het kammen met de hand en het zuiveren van het vlas van onregelmatigheden. Omdat in de top vaak knoopjes zaten haalde men die nog even over de hekel, een plank met rechtopstaande ijzeren tanden. Het afval dat bij het opmaken ontstond werd snuit genoemd. Na het opmaken werd het vlaslint samengebundeld in balen van honderd kilo.(54)

Voor de Zuid-Hollandse eilanden was de handel in vlaslint op Rotterdam geconcentreerd. Men ging met een monstersteen naar de beurs en bood de partij te koop aan. De vlaskopers of exporteurs deden een bod, de vlasser vroeg een prijs en na veel of weinig heen en weer bieden werd de koop gesloten.(55)

Ook kwamen de vlaskopers op het bedrijf zelf. Na de Tweede Wereldoorlog werd geen vlas meer verkocht aan de beurs, maar kwamen de vlaskopers uitsluitend op de bedrijven zelf hun voorraad kopen.(56)

De waarde van het vlaslint kon aan grote stijgingen en dalingen onderhevig zijn. In tijden van oorlog liepen de prijzen op tot waanzinnige hoogten, maar in perioden van economische rust kon de vlasserij zich nauwelijks staande houden. Bijvoorbeeld in de Eerste Wereldoorlog werden prijzen tot f 7,- (€ 3,17) betaald en vrij kort erna nog maar f 0,70 (€ 0,32).57