logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Hoofdstuk 6 Doctoraalscriptie "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

 

6. Conclusie

Het raadsel uit de inleiding moet na lezing van dit werkstuk voor niemand meer geheimtaal zijn.

Het mooie, jonge vlas bloeide met blauwe (of witte) bloemen. Na de oogst werd het vlas ‘geslagen’, met andere woorden eerst gerepeld, vervolgens geroot, daarna gebraakt en gezwingeld. Met het opmaken eindigde de bewerkingen in de vlasindustrie en werd het vlaslint verder bewerkt tot linnen in spinnerijen en weverijen.

Het kostbare linnen werd niet alleen door keizers en koningen gedragen, maar kende vele toepassingen in industrie, huishouden, interieur, schilderkunst en oorlog.

Uit het tweede hoofdstuk is duidelijk geworden dat de vlasserij bestaat uit de vlasteelt, een landbouwactiviteit, en de vlasbewerking, een landbouwnijverheid en dat het een zeer arbeidsintensieve bezigheid was.

Na deze inleiding kom ik nu toe aan het beantwoorden van de deelvragen, zoals die in het eerste hoofdstuk zijn gesteld. Achtereenvolgens komen de economische, de sociale en als laatste de culturele aspecten aan bod.

Het economische belang van de vlasserij voor ’s-Gravendeel kan pas beantwoord worden na het plaatsen van deze nijverheid in het grotere verband van Zuid-Holland, Nederland en Europa.

In de vlasteelt stelde Nederland op wereldschaal niet veel voor. Rusland domineerde de vlasteelt, omdat 75% tot 79% van het wereldareaal daar verbouwd werd. Nederland teelde slechts één procent van het Russische areaal, waarvan Zuid-Holland gemiddeld een tiende deel voor zijn rekening nam.

De kracht van het Nederlandse, Belgische en Franse vlas lag in de kwaliteit van het strovlas en het vlaslint, dus in de vlasbewerking. België was dominant binnen Europa voor wat betreft de vlasbewerking, wat onder andere duidelijk blijkt uit de uitvoer vanuit Nederland van onbewerkt vlas, dat vrijwel volledig naar België ging.

Vanaf 1960 nam de Franse vlasindustrie deze leidende rol over. Ook het bewerkte vlas, het vlaslint, werd grotendeels uitgevoerd. Binnen Nederland waren de Zuid-Hollandse eilanden het centrum van de vlasbewerking, met name de dorpen ’s-Gravendeel, Hendrik-Ido-Ambacht en Ridderkerk/Rijsoord.

In deze dorpen waren genoeg vakbekwame arbeiders te vinden, ze hadden geschikt rootwater en een goede verbinding met Rotterdam.

Het mogelijk aandeel van de ’s-Gravendeelse vlasindustrie in de uitvoer van vlaslint uit Nederland komt op gemiddeld 27% in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Dit is een voorzichtige schatting, omdat volledige cijfers over de ’s-Gravendeelse productie van vlaslint ontbreken en deze alleen herleid kunnen worden uit het aantal gerote bakken vlas van de Gebroeders Visser en de Coöperatie.

In het begin van de twintigste eeuw concentreerde de vlasbewerking in de Hoeksche Waard zich rond ’s-Gravendeel. In ’s-Gravendeel werd vlas geteeld, maar de vlasbewerking van vlas uit andere provincies was de belangrijkste bron van bestaan.

Ongeveer tweederde van de beroepsbevolking van ’s-Gravendeel was direct of indirect werkzaam in de vlasserij, de rest vond werk in de scheepvaart, de bouw en de landbouw.

Uit de migratiecijfers van Dordrecht en Rotterdam en de bloeiende economie in het laatste kwart van de negentiende eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog daar, mag worden aangenomen dat ’s-Gravendelers in tijden van malaise werk vonden in de omgeving.

De vlasindustrie in ’s-Gravendeel bestond uit één groot bedrijf met zestig tot honderd werknemers en de rest waren middelgrote tot kleine familiebedrijven.

In 1920 werd door een aantal vlassers gezamenlijk de Coöperatieve Warmwaterroterij ‘Schenkeldijk’ opgericht. Deze Coöperatie rootte ongeveer vijftig tot zestig procent van de hoeveelheid die het grootste vlasbedrijf, de Gebroeders Visser, verwerkte.

Het belang van de vlasteelt en de vlasbewerking voor ’s-Gravendeel en daarmee ook voor Nederland was wisselend. Bloeiperiodes waren de periode 1860 tot 1870, toen de katoeninvoer vanuit Amerika stillag door de Amerikaanse burgeroorlog, de beide wereldoorlogen, de Koude Oorlog en de Koreaanse oorlog, door een gestegen behoefte aan linnen. De bloei van de vlasserij lag dus hoofdzakelijk in tijden van oorlog.

Over de opkomst van de vlasindustrie in ’s-Gravendeel is weinig bekend, maar summiere gegevens duiden er op dat al in de zeventiende eeuw vlassers actief waren in ’s-Gravendeel.

Waarom juist ’s-Gravendeel uitgroeide tot een belangrijk vlassersdorp is niet geheel rationeel te verklaren. Het dorp voldeed aan alle vestigingsplaatsfactoren: ruime aanwezige hoeveelheid grondstof, goed rootwater, genoeg brandstoffen, voldoende arbeidskrachten, de aanwezigheid van andere vlasserijen en ondersteunende bedrijven en een goede verbinding met de afzetmarkt via Rotterdam. Maar hierin was ’s-Gravendeel niet uniek.

Waarschijnlijk ligt een deel van het antwoord in het feit dat de vlasfabrieken familiebedrijven waren. De kennis en het bedrijf gingen van grootvader over op vader en vervolgens op de zoon. Het familiekapitaal zat in het bedrijf en de beroepsbevolking in ’s-Gravendeel was voor tweederde afhankelijk van het vlas en beide maken het moeilijk om iets geheel anders te gaan doen.

Na 1964 ging het bergafwaarts met de vlasindustrie in ’s-Gravendeel en in Nederland. Deels ondervond Nederland concurrentie van België en Frankrijk, waar de arbeidsbesparende dauwrootmethode kon worden toegepast.

’s-Gravendeel was aangewezen op het roten met warmwater, wat meer arbeidskrachten vergde en samen met de forse loonstijging in Nederland in de jaren zestig maakte dit het vlaslint te duur.

Frankrijk subsidieerde daarnaast zijn vlasindustrie enorm, waardoor de vlasindustrie daar niet inkromp bij de dalende vraag naar vlaslint, veroorzaakt door de concurrentie van katoen en de kunstvezels.

Het opkomende milieubewustzijn, dat zich in 1970 bijvoorbeeld uitte met de Wet op de Waterverontreiniging, vormde een ernstige bedreiging voor het warmwaterroten.

In 1971 sloot het laatste vlasbedrijf in ’s-Gravendeel zijn deuren. Doordat niet alle bedrijven tegelijkertijd stopten en in de jaren vijftig en zestig voldoende werk in de bouw en de chemische industrie in Dordrecht en Rotterdam te vinden was, hebben de vlassers en vlasarbeiders zonder problemen ander werk gevonden. Een deel van de vlassers ging verder in de land- en tuinbouw of in de handel.

De arbeidsomstandigheden werden vooral negatief beïnvloed door het vele stof, dat tijdens de vlasbewerking vrijkwam. Met de komst van de mechanisatie en de afzuiginstallaties verbeterde deze situatie, maar er bleef genoeg stof over om na een onderbreking ’s-avonds met stofkoorts naar bed te gaan.

Voorzieningen, zoals douches, verwarming en kleedkamers, ontbraken lange tijd. Achteraf is dit makkelijk te constateren, het moet natuurlijk wel in de tijd geplaatst worden. De vlasindustrie vormde geen negatieve uitzondering ten opzichte van de rest van de nijverheid.

Het loon was karig en moest tot en met begin twintigste eeuw worden aangevuld met vrouwen- en kinderarbeid en een eigen stukje grond voor het kweken van groenten en aardappelen.

Om wat extra’s te verdienen was het gebruikelijk dat de vlasarbeiders tijdens de oogsttijd tijdelijk in de landbouw werkten of in de suikerbietenfabriek in Puttershoek. Toen het vlasbedrijf door de mechanisatie een continubedrijf werd, was de tijdelijke onderbreking niet overal meer mogelijk.

De arbeidsverhoudingen in de kleine tot middelgrote familiebedrijven waren harmonieus, mede doordat de vlasser net zo hard meewerkte in het bedrijf als zijn personeel. Dit is onder meer te zien aan het geringe verloop onder de vlasarbeiders.

Doordat tweederde van de ’s-Gravendeelse beroepsbevolking in het vlas werkte hadden de vlasarbeiders echter niet veel speelruimte. In zo’n kleine gemeenschap werden lastige arbeiders overal geweerd.

Ook in directe zin waren de vlasarbeiders afhankelijk van de (vlas)boeren, omdat deze in het bestuur van bank, kerk, Burgerlijk Armbestuur, gemeenteraad en dergelijke instantanties zaten.

Aan de andere kant hadden de vlassers de vakbekwaamheid van hun vlasarbeiders ook hard nodig.

Het sociaal bewustzijn van de arbeiders nam toe in de loop van de twintigste eeuw onder invloed van een grotere keuzevrijheid aan werk buiten het dorp en de toegenomen mondigheid van de arbeiders, mede dankzij de vakorganisaties.

Voor de vlasbewerking was een grote mate van vakkennis en vakbekwaamheid nodig, die in de praktijk werd geleerd, meestal overgedragen van vader op zoon.

In de jaren veertig van de twintigste eeuw ontstonden vakscholen, waar alleen de zonen van de vlassers van middelgrote bedrijven naar toe gingen. Voor de vlasarbeiders werden wel cursussen gegeven op het bedrijf zelf door een vlasmeester uit België.

In cultureel opzicht is het vlas vroeger hier en daar doorgedrongen, namelijk in een eigen versie van het vlasraadsel uit de inleiding en een gedicht. Hoogstwaarschijnlijk was er gewoon geen tijd om hiermee bezig te zijn.

Tegenwoordig wordt de herinnering aan de vlasserij in cultureel opzicht wel levend gehouden door straatnamen, kunstwerken en de Historische Vereniging.

Na het beantwoorden van de deelvragen volgt het antwoord op de vraagstelling eigenlijk vanzelf.

Uit bovenstaande kan slechts de conclusie getrokken worden dat het economische belang van de vlasserij, vooral de vlasbewerking, voor ’s-Gravendeel groot is geweest. Vooral tijdens (wereld)oorlogen bloeide de vlasserij enorm.

Ook in sociaal opzicht werd het leven beheerst door de vlasserij, maar de culturele betekenis van de vlasserij is te verwaarlozen.