logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Hoofdstuk 5 Doctoraalscriptie "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

 

5 De vlasserij in ’s-Gravendeel: sociale en culturele aspecten

In dit laatste hoofdstuk zullen de volgende sociale en culturele deelvragen worden beantwoord.

  • Wat waren de arbeidsomstandigheden?
  • Hoe waren de arbeidsverhoudingen tussen vlassers en vlasarbeiders?
  • In welke mate waren de vlasarbeiders afhankelijk van de vlassers?
  • Was er sprake van een sociaal bewustzijn onder de vlasarbeiders?
  • Volgden de vlassers en vlasarbeiders onderwijs?
  • Zijn er culturele uitingen te vinden van het vlas?

Arbeidsomstandigheden

In 1886 werd een parlementaire enquête gehouden naar de werking van de Wet inzake fabrieksarbeid en naar de toestand van fabrieken en werkplaatsen. In dit onderzoek werd de toestand van de arbeidersklasse in Amsterdam, Maastricht en Tilburg èn de vlasnijverheid onderzocht.

In de verhoren tijdens de parlementaire enquête werden vier vlasboeren en één vlasarbeider ondervraagd. Voor het eerst kwamen arbeiders en arbeidsters zelf aan het woord. De publicatie riep destijds veel verontwaardiging, woede en ongeloof op, door de wantoestanden die aan het licht kwamen.(1)

Het is niet helemaal duidelijk op grond waarvan de enquêtecommissie besloot een apart onderzoek in te stellen naar de vlasnijverheid. Zij onderzocht ‘een kleinen, doch voor het onderwerp der enquête belangrijken tak van nijverheid, namelijk de vlasindustrie.’(2) Volgens Giele is het besluit van de commissie beïnvloed door de nota’s van dokter B. Carsten en C. van Aken over de vlasindustrie.(3)

Dokter B. Carsten, adjunct-inspecteur van het Geneeskundig Staatstoezicht in Zuid-Holland en Zeeland, had een belangrijk aandeel in de verhoren door zijn nota over de gezondheidstoestand van de vlasarbeiders. Carsten over de vlasarbeiders: ‘Gewoonlijk zijn zij zeer kortademig, zij zien er zeer slecht uit (…).’

Carsten merkte op, dat het zeldzaam was, als men iemand van 50 jaar oud ziet.(4) Uit zijn onderzoek over de periode 1866 tot en met 1870 bleek dat in de vlasgemeenten in de Hoeksche Waard naar verhouding meer mensen overleden aan longtering, acute en chronische ziekten van de ademhalingsorganen dan in gemeenten zonder vlasindustrie. Deze verhouding was in de vlasgemeenten één op tien, in de gemeenten zonder vlasindustrie één op zeventien overledenen.(5)

Het sterftecijfer in de vlasgemeenten bedroeg tussen 1840 en 1874 meer dan 35%. Ook C. van Aken, oud-burgemeester van Hendrik-Ido-Ambacht, schreef een nota over de slechte arbeidsomstandigheden in de vlasindustrie. Volgens Van Aken kon men een vlasarbeider direct herkennen: ‘(…) het geesteloze bleeke gelaat, de beklemde ademhaling en heesche stem wijzen hem aan.’(6)

Tijdens de parlementaire enquête werd één vlasarbeider uit Oud-Beijerland ondervraagd. Deze Pieter Landheer had vanaf zijn twaalfde jaar in het vlas gewerkt en was op het moment van verhoor 54 jaar oud. Hoewel de meeste van zijn leeftijdgenoten waren overleden, hield hij vol dat het werken in het vlas niet ongezond was. Volgens Landheer hing het af van iemands ‘lichaamsbouw van binnen’ of werken in het vlas kwaad kon.(7)

Uit de parlementaire enquête en onderzoeken, zoals van dokter Carsten, bleek dat de vlasserij een zeer ongezonde bedrijfstak was, vooral door het stof dat vrij kwam tijdens het braken, maar vooral tijdens het zwingelen. De vlasarbeiders hadden daardoor vooral last van ziekten van de ademhalingsorganen. Dit wil niet zeggen dat de overige bewerkingen in de vlasserij niet nadelig waren voor de gezondheid van de vlassers en vlasarbeiders.

Tijdens de oogst werd het vlas voorovergebogen geplukt met de hand. Zeker tijdens een droge zomer was dit zeer zwaar werk. Het was niet mogelijk om een vol uur te blijven plukken, daar was het werk te zwaar voor.(8) Distels, kleefkruid en riet zorgden voor wonden en schrammen.

Tijdens het wieden met de hand mochten geen klompen of schoenen worden gedragen, om beschadigingen aan het vlas te voorkomen. Pas in de jaren vijftig van de twintigste eeuw kwam een einde aan het met blote handen plukken door het gebruik van oogstmachines.

Gedurende de vlasoogst werd er soms ‘naer overe’ gegaan, wanneer op veraf gelegen plaatsen moest worden geplukt. Dit hield een aantal ontberingen in: zelf zorgen voor drinken en eten, het ontbreken van sanitaire en hygiënische voorzieningen, slapen in het hooi na een dag hard werken en nooit uit de kleren gaan. Ondanks deze ongemakken werd het als een welkome onderbreking gezien van de dagelijkse sleur.(9)

Bij het repelen kwam stof vrij, maar dat was niet zo schadelijk als het zwingelstof. In het begin lagen bij het repelen de handen open, maar na verloop van tijd vormde zich eelt op de handen.

Het lossen van de warmwaterrootbakken was een zwaar, vuil en zweterig karwei. De rootbakken hadden in het begin een opening van boven, later kregen de bakken een opening aan de voorkant. Het uithalen van het natte, warme vlas was zwaar werk, omdat door het vocht de bossen vlas in gewicht verdubbeld waren. Later werd een transportband gebruikt bij het uithalen van het vlas, wat het werk enigszins verlichtte.

Bij het leeghalen van de rootbakken droegen de vlasarbeiders enkel een overall, die na het lossen aan een haak werd opgehangen. ‘Als je ‘m zo neerzette, dan bleef ie gewoon staan.’(10) (zie foto’s 10 en 11).

Foto 10 en 11 Het vullen en legen van een rootbak

Verkleden gebeurde in een schuur, de machinekamer of in de open lucht. Kleedruimte, toiletten of een gelegenheid om de handen te wassen bestonden lange tijd niet. Met de ingebruikname van de warmwaterroterijen begon het dorp ’s-Gravendeel te stinken. De penetrante geur van rottingsbacteriën was tot in de verre omtrek waar te nemen. P.W. de Zeeuw vergeleek de stank met een kadaverlucht.(11)

De stank drong door in de poriën van de huid. Wie er in werkte rook het zelf niet meer, maar een ander des te beter. Het rootwater had goede en slechte eigenschappen. Een wondje genas zeer snel en de koeien vonden het lekker om te drinken, maar vissen en alle andere levende waterdieren en planten gingen dood van het zuurstofloze water.

Bij het braken met de hand ontstond veel stof, zowel door de afvallende gedroogde modderdeeltjes als door het breken van de droge hout- en schorsbestanddelen van de vlasstengel. Bij het machinaal braken ondervond de arbeider geen noemenswaardig nadeel meer van het stof, vooral als stofafzuiging was aangebracht. Het braken was minder slecht voor de gezondheid dan het zwingelen, omdat de arbeiders bij deze handeling niet vlak boven het stof zaten en dus niet alles inademden.

Het zwingelen was de meest ongezonde handeling. De zwingelketen in de vlasserijen waren altijd schemerig en vol stof, bovendien konden zij wegens brandgevaar niet worden verwarmd. Voor de ventilatie waren twee tegenover elkaar geplaatste luiken aangebracht, die echter een sterke tocht veroorzaakten. Omdat het zwingelen in de winter plaatsvond en er niet gestookt werd, bleven die luiken meestal dicht.

Dokter Carsten omschreef het zo: ‘Wanneer men in de zwingelkeet komt, kan men door het stof elkander niet onderscheiden, en is men er een oogenblik in, dan is men geheel met stof bedekt.’(12) Glasramen werden in de zwingelketen niet geplaatst, omdat het licht nadelig zou zijn voor het vlas. Onvoldoende luchtverversing en gebrek aan daglicht waren nadelig voor de gezondheid van de arbeiders.

Door de voorovergebogen houding bij het zwingelen, in tegenstelling tot de rechtopstaande houding tijdens het braken, ademde de vlasarbeiders meer stof in tijdens het zwingelen. Het stof bestond uit modder, vermengd met fijne schors- en houtdeeltjes en afgescheurde vlasvezels.

Het waren vooral de endotoxinen in het stof die schadelijk waren voor de ademhalingsorganen.(13) Als het vlas nat geplukt was en daarna opgeborgen in de schuur, dan zat er schimmelstof tussen en dat was nog veel kwader dan schoon stof.(14) Door de krachtige beweging van de rechterarm bij het zwingelen werd het stof steeds in beweging gehouden en voortdurend door de arbeiders ingeademd.

Na een verblijf van enkele dagen in de zwingelkeet kregen de meeste arbeiders, als gevolg van de inademing van fijne stofdeeltjes, een ontsteking van een luchtpijptak, een van de boomvormige vertakkingen van de luchtpijp. Deze ontsteking verminderde als het werk werd gestaakt. Bij hervatting van de werkzaamheden, bijvoorbeeld na een weekend of na een seizoen, moest men opnieuw hieraan wennen.

Op den duur kreeg deze ontsteking een chronisch karakter. ‘(…) het is een zeldzaamheid een vlasarbeider van gevorderden leeftijd, vrij van ademhalingsbezwaren aan te treffen.’(15) Niet iedereen was bestand tegen het ongezonde werk in de zwingelkeet, waar het mistig zag van het stof en waar het enorm kon tochtten.

De nadelen van de vlasindustrie zouden, volgens de enquêtecommissie, grotendeels worden opgeheven als de bewerking machinaal zou gaan plaatsvinden. Bovendien zijn bij machinale bewerking minder arbeidskrachten nodig, zodat de hulp van vrouwen gemist kan worden en het arbeidsloon van de overige arbeidskrachten verhoogd kan worden.(16)

De commissie concludeerde dat verbeteringen eenvoudig aan te brengen zijn, maar dat dit niet gebeurde ‘uit onverschilligheid, althans omdat men zich te dezer zake geene uitgaven wil getroosten’.(17) Inderdaad verbeterde met de mechanisatie en het gebruik van afzuiginstallaties rond de eeuwwisseling de situatie voor de vlaswerkers.

In de Verslagen en Mededelingen van de Directie van de Landbouw werd in 1913 geconstateerd dat het werken in de vlasserijen, vanuit gezondheidskundig oogpunt, ten opzichte van vroeger veel was verbeterd. In de kleine bedrijven was het stof nog steeds oorzaak van vele aandoeningen van de ademhalingsorganen, vooral bij personen met zwakke longen, maar in de grotere bedrijven zogen stofmolens zeer veel stof uit het werkvertrek, dat werd geloosd in de buitenlucht.(18)

Maar de stofafzuiging kon niet alle stof laten verdwijnen. Er was nog zoveel stof dat veel zwingelaars na de rust van het weekend op maandagavond met stofkoorts naar bed gingen. Op maandagmorgen werd wel eens, ook al was dat natuurlijk niet toegestaan, een half flesje sterke drank gekocht om het stof weg te spoelen en de kou tegen te gaan.(19)

Als het zwingelseizoen in de herfst begon, werkten de vlasarbeiders de eerste week geen volle dagen om aan het stof te wennen.(20) ‘Als we de boel gingen opruimen, dan zag de achterste de voorste, tien meter verder, niet staan, zo veel stof.’(21)

Vooral voor mensen die aanleg hadden voor astma of bronchitis was het werken in het vlas erg ongezond en die werden ook dikwijls niet oud. De rest was kortademig, maar dat verdween als de vlasarbeiders veertien dagen uit het vlas waren.

Dat het stof tot het einde van de vlasserij een negatieve rol voor de gezondheid speelde, mag blijken uit een vergadering van de gemeenteraad in 1959, waarin de Partij van de Arbeid vragen stelde over het lozen van stof van een vlasserij in het dorp. ‘(…) daar het voor de bewoners aan de Barth Verbruggestraat en omgeving een onhoudbare toestand is, zulks ook in verband met de volksgezondheid.’ (22)

5.1.1 Voorzieningen

Het werken in de vlasindustrie was niet alleen stoffig, maar ook koud. Verwarming is pas verschenen aan het eind van de vlasserij. Sommige vlasfabrieken hadden centrale verwarming, sommige hadden een verwarmingsplaat onder de voeten of wat warmtestraling op de handen. Maar grote ruimten met afzuiging waren gewoon niet warm te krijgen.(23)

Ook andere voorzieningen, zoals een wasgelegenheid, kwamen pas in de laatste jaren van de vlasindustrie, soms na aandringen van de Arbeidsinspectie. In een brief van de Arbeidsinspectie werd de Coöperatie in 1947 gewezen op een aantal tekortkomingen. Er was geen schaftlokaal aanwezig, geen ‘klederbergplaats’ en er ontbrak een wasgelegenheid.(24)

In 1950 vroeg de Coöperatie ontheffing voor het aanbrengen van een douchecel. In de motivatie meldde de Coöperatie dat het polderwater, waarmee geroot werd, verontreinigd was door vermenging met rootwater en daarmee ongeschikt als douchewater.(25) ‘Als je je handen moest wassen, dan moest je dat in die verontreinigde sloot doen.’(26)

In 1951 deed de Arbeidsinspectie weer een beroep op de Coöperatie om een douchecel te plaatsen in de roterij. De voorzitter zei: ‘We komen er nu niet meer mee klaar nu de waterleiding langs ons terrein ligt (…).’(27) Deze situatie moet natuurlijk wel in de tijd worden geplaatst. Zoals één van de geïnterviewden zei: ‘Je had ‘m (de douche; mk) thuis ook nog niet, toen, dus je mistte ‘m niet.’(28)

5.1.2 Ongelukken en branden

Naast de stof, de kou en het gebrek aan voorzieningen kwamen ongelukken voor in de vlasindustrie. Meestal ging het om kleine ongelukken, een enkele keer waren de gevolgen dramatischer.

Toen het transport nog met paarden ging, sloeg er wel eens een paard op hol. Met de komst van de vrachtauto sloeg een enkele keer een aanhanger met vlas om. Bij het laden of lossen van vlas ging ook wel eens iets mis, een  enkele keer met dodelijke afloop.

Met de rolbraak en met de zwingelspaan verspeelde vlasarbeiders wel eens vingers of met een bindapparaat bij de repelmachine gingen de naalden met de bindtouwtjes dwars door een hand. Tijdens de reparatie van een kapotte vlasmachine bleef de smid hangen in de drijfas van de machine en raakte zo zijn beide benen kwijt.

Naderhand werden de machines beter beveiligd om het aantal ongelukken te verminderen. Maar het werken met machines blijft altijd gevaarlijk, want zelfs in 1961 vond nog een ongeluk plaats waarbij een arm in de repelmachine in aanraking kon komen met de kam.(29)

Behalve ongelukken vonden regelmatig branden plaats in ’s-Gravendeel, omdat vlas zeer brandbaar was. Bij zijn afscheid als opperwachtmeester van de ’s-Gravendeelse brandweer in 1971 zei J.B. Zuiderent: ‘De brandweer is de laatste jaren een paar hele goede klanten kwijtgeraakt, namelijk de vlasfabrieken.’(30) Meestal was de oorzaak onbekend (zie tabel 19) en waren de vlassers verzekerd tegen brand. De premie was hoger als er sprake was van vlas.(31)

Tabel 19. Oorzaken vlasbranden in ’s-Gravendeel 1829-1973

Vuur of vonk

8

Warmlopen machine of storing

9

Blikseminslag

2

Kortsluiting

2

Oorlogshandelingen

3

Onbekend

38

Tijdens reparaties

2

Totaal

64

In ’s-Gravendeel zei men veelbetekenend: ‘Als het slecht gaat in het vlas wil het hier nog wel eens branden’. Dat dit inderdaad wel eens gebeurde, is af te leiden uit een brief van burgemeester Vaarzon Morel, waarin een brandgeval in 1877 werd gemeld aan de officier van justitie in Dordrecht: ‘Aan moedwil valt echter niet te denken door den bewoner die als zeer solide bekend staat.’(33)

Een duidelijk voorbeeld komt uit 1961, toen een ’s-Gravendeelse vlasser werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier voorwaardelijk wegens brandstichting in zijn eigen vlasserij met het doel het verzekeringsgeld op te strijken.

Na het bespreken van de arbeidsomstandigheden is wel enige nuancering op zijn plaats. Achteraf is de slechte situatie makkelijk te constateren, maar het moet natuurlijk wel in de tijd geplaatst worden. De vlasindustrie vormde geen opvallende uitzondering ten opzichte van de rest van de nijverheid in die tijd, zoals ook tijdens de parlementaire enquête bleek.