logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Hoofdstuk 4 Doctoraalscriptie "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

 

4. De vlasserij in ’s-Gravendeel: economische aspecten

In dit hoofdstuk komen de economische deelvragen van de vraagstelling aan de orde. Het gaat om de volgende vragen.

Wat is het economische belang geweest van de vlasteelt en de vlasbewerking voor het dorp ’s-Gravendeel? Welk aandeel had de vlasserij in ‘s-Gravendeel in de totale Nederlandse vlasindustrie? Wanneer waren de hoogtepunten en de dieptepunten van de vlasteelt en vlasbewerking? Wat waren de oorzaken van opkomst, bloei en neergang? Hoeveel mensen vonden werk in de vlasserij? Waar vonden de vlasboeren en vlasarbeiders werk na de neergang van de vlasindustrie?

Het dorp ’s-Gravendeel is een landelijke gemeente in het oosten van de Hoeksche Waard en omvat naast de dorpskern ook de buurtschappen Schenkeldijk en De Wacht (zie tekening 8).

De Hoeksche Waard, een eiland in het zuiden van de provincie Zuid-Holland, wordt omringd door het water van de Oude Maas, de Dordtsche Kil, het Spui, het Hollandsch Diep en het Haringvliet. ’s-Gravendeel ligt letterlijk op een eiland, figuurlijk natuurlijk niet.

De twee grootste steden in de buurt zijn Dordrecht en Rotterdam. ’s-Gravendeel was en is door zijn ligging dicht bij Dordrecht meer op Dordrecht georiënteerd dan op Rotterdam.

De economische ontwikkelingen in de ’s-Gravendeelse vlasserij zullen in dit hoofdstuk worden besproken, geplaatst tegen de economische ontwikkelingen in Nederland, Dordrecht en Rotterdam.

Tekening 8 Hoeksche Waard omstreeks 1905
Tekening 8.Kaart Hoeksche Waard omstreeks 1905.
Bron: Carla van de Merbel, Strijensas: een rood dorp in de Hoekse Waard (Rotterdam, 1996)
bijlage 3.

Binnen de economische geschiedenis van de vlasbewerking vallen drie periodes op. De vlasbewerking begon als huisnijverheid, als aanvulling in de winter op de werkzaamheden van de landbouw. De tweede periode begon rond 1780, toen de vlasbewerking op de vruchtbare kleigronden een zelfstandige nijverheid werd, waar de bewerking met de hand werd gedaan.(1) Vervolgens deed eind negentiende eeuw de mechanisatie haar intrede, wat grote invloed had op het bewerkingsproces, de productie en het aantal benodigde arbeidskrachten.

Over de eerste periode, de vlasbewerking als huisnijverheid, is weinig bekend. Het vlas werd op de boerenbedrijven zelf tot ruw linnen verwerkt, grotendeels om in de eigen kleding- en linnenbehoefte te voorzien. Omdat de vlasbewerking ook toen handmatig plaatsvond, heb ik ervoor gekozen om in de beschrijving van de vlasbewerking een tweedeling aan te brengen: de handmatige vlasbewerking en de machinale vlasbewerking.

De scheidslijn tussen deze twee periodes ligt ongeveer rond 1880 wanneer de industrialisatie in Nederland begon door te dringen tot de landbouw en de nijverheid in de Hoeksche Waard. In ’s-Gravendeel werden vanaf 1888 steeds meer stoomwerktuigen ingezet, een teken dat de industrialisatie begon. Ook een vaste oeververbinding met Rotterdam over de Barendrechtse brug was in 1888 gereed, wat in belangrijke mate het isolement van de Hoeksche Waard heeft doorbroken.

De periode van machinale vlasbewerking heb ik vervolgens verder onderverdeeld met als leidraad de uitvoer van bewerkt vlas vanuit Nederland. In de periode 1889 tot en met 1973 vallen een aantal perioden op, waarin meer vlas werd uitgevoerd dan in andere jaren. Bij het beschrijven van de hoogtepunten en dieptepunten in de ’s-Gravendeelse vlasserij na 1880 zal ik de volgende indeling gebruiken:

  1. 1880-1917: een bloeiende periode met een aantal dieptepunten
  2. 1918-1948: een wisselvallige periode, zonder topjaren (op 1939 na)
  3. 1949-1965: een periode van grote bloei
  4. Na 1966: de neergang

Naast de vlasbewerking, die tot de nijverheid werd gerekend, had de industrialisatie ook haar invloed op de vlasteelt, die tot de landbouw behoorde.

4.1 De periode tot 1880

4.1.1 Dordrecht en Rotterdam

Aan het begin van de negentiende eeuw was Dordrecht een belangrijk handelscentrum. De meeste Dordtenaren (40%) werkten in de nijverheid, die zich concentreerde rond de scheepsbouw. In de economische diensten rond de handel werkte 34% van de gezinshoofden (zie tabel 6).

Tabel 6. De beroepsstructuur van mannelijke gezinshoofden in Dordrecht in 1830 in procenten (2)

Sector

%

Belangrijkste bedrijfstakken

Landbouw en visserij

3

 

Nijverheid

40

Bouw 9%; hout 5%; metaal 4%; voeding 8%

Economische diensten

34

Handel 11%; scheepvaart 6%; sjouwers 10%

Maatschappelijke diensten

7

Ambtenaren 4%; vrije beroepen 1%; onderwijs 1%

Arbeiders

6

 

Zonder beroep

11

 

Weinig mensen waren werkzaam in de landbouw, die overheerste in aangrenzende gemeenten en gebieden en wat verder weg gelegen plattelandsgebieden, zoals de Hoeksche Waard. Dordrecht kende veel dagelijkse en wekelijkse markten en jaarmarkten voor land- en tuinbouwproducten uit de omgeving.

Tot 1865 had Dordrecht een vlas- en lijnzaadmarkt. Naarmate Rotterdam als handelsstad in betekenis toenam verplaatste de vlashandel zich naar Rotterdam. In de jaren zestig van de negentiende eeuw werd in Nederland nieuwe infrastructuur aangelegd, Rotterdam kreeg via het aanleggen van de Nieuwe Waterweg in 1872 een verbinding met de Noordzee, wat voor de vlasserij belangrijk was omdat het grootste deel van de vlasproductie naar het buitenland ging.(3)

Dordrecht kende een enorme migratie. Vanaf 1870 ging ongeveer jaarlijks een tiende van de bevolking de stad in en uit. In de periode 1870 tot 1879 vestigden zich 13.395 personen in Dordrecht en vertrokken er 12.540.(4) Veel migranten keerden echter vrij snel terug naar hun plaats van afkomst of trokken verder naar de grootste steden, vooral Rotterdam. Van het platteland uit de directe omgeving van Dordrecht kwamen minder migranten dan van verder gelegen plattelandsgebieden, zoals de Hoeksche Waard.(5)

In de negentiende eeuw waren in Rotterdam de bedrijfstakken die in verband stonden met de haven het belangrijkst. Handel, scheepvaart, scheepsbouw en het laden en lossen van goederen verschafte veel werkgelegenheid. Naar schatting vond vijftig tot zestig procent van de mannelijke beroepsbevolking werk in de bedrijfstakken die in verband stonden met de haven.(6)

In 1811 was binnen de nijverheid de bouw de belangrijkste bedrijfstak en bij de economische diensten boden de handel en het verkeer het meeste werk. Na 1870 steeg de internationale riviervaart (Rijnvaart) en de doorvoerhandel met Duitsland sterk, waar vooral Rotterdam van profiteerde.

De groei van de economische diensten is duidelijk te zien aan de indeling van de mannelijke bevolking in bedrijfstakken (zie tabel 7): tussen 1811 en 1889 steeg het aandeel van 29% naar 38%, waarmee de tertiaire sector in Rotterdam even groot werd als de nijverheid, die in dezelfde periode nauwelijks groeide.

Tabel 7. Indeling mannelijke bevolking van Rotterdam in bedrijfstakken in 1811 en 1889(7)

 

1811

1889

Bedrijfstak

Aantal

%

Aantal

%

Landbouw

352

3

413

1

Nijverheid

4.453

36

18.521

38

Economische diensten

3.633

29

18.333

38

Maatschappelijke diensten

1.040

8

5.510

11

Losse arbeiders

1.764

14

1.931

4

Zonder beroep

1.258

10

3.911

8

Totaal

12.518

100

48.616

100

Migratiegegevens naar Rotterdam zijn vanaf 1850 enigszins betrouwbaar. In 1853 kwam dertien procent van de migranten uit Zuidwest-Nederland, dat wil zeggen uit Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en westelijk Noord-Brabant. In 1858 is dit percentage gedaald naar negen procent(zie tabel 8). De Zuid-Hollandse eilanden en vooral de Hoeksche Waard leverden het grootste aandeel.

Tabel 8. Herkomst van de Rotterdamse immigranten in 1853 en 1858(8)

 

1853

1858

Afkomstig uit:

Aantal

%

Aantal

%

De omgeving

175

26%

120

19%

Zuidwest-Nederland

88

13%

55

9%

Hollandse steden

217

32%

208

33%

Platteland Holland

63

9%

103

17%

Rest van Nederland

134

20%

106

17%

Buitenland

 

 

29

5%

Totaal

677

100

621

100

4.1.2 De Hoeksche Waard en ‘s-Gravendeel

De Hoeksche Waard was in de eerste helft van de negentiende eeuw voor een groot deel afhankelijk van de landbouw. Op het eiland werden vooral peulvruchten, gerst, koolzaad, meekrap, tarwe, vlas en vruchtbomen geproduceerd.

De plaatselijke nijverheid was geconcentreerd op het verwerken van de landbouwproducten. Een belangrijke plaats werd ingenomen door de vlasverwerkende bedrijven, aangevuld met korenmolens, grutterijen en meestovens, waarin meekrap werd verwerkt.(9) Naast de landbouw en de vlasteelt gaf in ’s-Gravendeel ook de scheepvaart veel werkgelegenheid.

In 1740 was de aanvoerroute naar Rotterdam via de Maasmond bij Den Briel verzand. De grote schepen van de Oost- en Westindische Compagnie met bestemming Rotterdam werden door deze verzanding gedwongen via de Dordtsche Kil te varen. Door de vele ondiepten in de Dordtsche Kil was het noodzakelijk om de vracht in kleinere schepen over te laden.

’s-Gravendeel werd een overslaghaven voor goederen als rijst, tabak, koffie en suiker. Ook werkten mensen uit ’s-Gravendeel als loods op schepen die naar Rotterdam, Schiedam en Hellevoetsluis voeren. Een andere belangrijke activiteit was de beurt- en binnenscheepvaart, die voor een deel in verband stond met de vlasserij.(10)

Rond 1830 waren de belangrijkste bronnen van inkomsten in ’s-Gravendeel vooral de vlasindustrie en daarnaast de scheepvaart, de bouw en de veeteelt. Het belang van het vlas blijkt onder andere uit de grote brand van 20 juli 1825 in ’s-Gravendeel, die plaatsvond in een periode dat veel mannen en vrouwen bezig waren met de vlasoogst in Zeeland. Het vuur breidde zich snel uit door een felle wind en de vele vlasschuren met brandbaar materiaal.(11

4.1.3 Vlasteelt en vlasbewerking in ‘s-Gravendeel

Tot ongeveer 1800 is er weinig bekend over de vlasbewerking in ’s-Gravendeel. Uit spaarzame gegevens blijkt wel dat inwoners van ’s-Gravendeel voor 1800 al met vlas werkten. Eén van de ’s-Gravendeelse vlassers heeft in een interview het volgende gezegd: ‘Mijn voorouders kwamen in 1595 naar ’s-Gravendeel en hebben sindsdien altijd in het vlas gezeten.’(12)

In het boek ‘Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden’ uit 1789 werd alleen gesproken over de vlasserij in Oud-Beijerland en was er nog geen sprake van een vlasindustrie in ’s-Gravendeel.(13) Toch waren rond die tijd wel diverse vlasboeren actief in ’s-Gravendeel.(15) In het archief van het Streekmuseum Hoeksche Waard in Heinenoord worden in de 17e eeuw al vier ’s-Gravendeelse vlassers genoemd, in de achttiende eeuw zeven vlassers en in de negentiende eeuw 281 (zie bijlage 8).

Ook A.C. de Zeeuw maakt melding van een opgave van de heer N. v.d. Wulp uit oude registers waarin sprake is van vijf personen die zich rond 1680 bezig hielden met vlas.(15) In het boek van M. Allewijn wordt in het hoofdstuk over ’s-Gravendeel gesproken over een staatje uit 1792 dat het volgende vermeldde: ‘Aangekoomen uit Zeeland en die Quartieren: 120 vaartuigen met vlas, per vaartuig 10 voer, per voer 2200 pond ruw vlas, verder nog important veel vlas uit de polder van Wieldrecht, Nieuw Bonaventura en elders.’(16)

Dit zou betekenen dat in 1792 minstens 1,3 miljoen kilo ruw vlas, aangevoerd uit andere provincies, werd verwerkt in ’s-Gravendeel.

Om een beeld te vormen van de vlasteelt en de vlasbewerking in de negentiende eeuw zijn de brieven, geschreven door achtereenvolgende ’s-Gravendeelse burgemeesters, een belangrijke bron. Uit de brievenboeken blijkt dat de vlasteelt, maar vooral de vlasbewerking belangrijk waren voor ’s-Gravendeel.

Over de vlasteelt zijn twee meldingen gevonden. De eerste brief van schout Elshoff laat een lijst zien van schade, veroorzaakt door hagelbuien van 27 juni 1817, waardoor 16 van de 23 boeren schade hadden geleden aan hun vlasteelt. Van het totale schadebedrag, f 14.117,- (€ 6.406,-) was een derde, f 5.017,- (€ 2.276, 62), geraamd voor het vlas.(17)

In een brief van burgemeester Heereman werd een opgave gedaan van de gemiddelde hoeveelheid gezaaide producten in ’s-Gravendeel rond 1840. Voor vlas werd een hoeveelheid van 78 bunders opgegeven met 170 stenen vlas per bunder, zodat toen ruim 37.000 kilo vlas werd verbouwd.(18) Het vlas was toen, na wintertarwe en aardappelen, het meest geteelde gewas.

Maar vooral de vlasbewerking van vlas uit eigen en andere streken was een belangrijke bron van bestaan. In 1820 schreef schout Elshoff over het vlas als ‘onze hoofdtak der negotie’.(19) In 1822 had ’s-Gravendeel zeventig vlasserijen, maar dit aantal was zeer wisselend omdat de vlasserijen met regelmaat opkwamen en weer ten onder gingen.(20)

Zo was de toestand in 1829 zorgelijk: ‘(…) dat deze gemeente bevorens eene zeer welvarende vlassersplaats is geweest welke zeer veel grote en welgestelde vlasboeren telde, welke vlasserij tans bijna geheel vernietigd is (…).’(21) Een mogelijke oorzaak kan de eerste agrarische crisis zijn, die van 1820 tot 1835 duurde.

Helaas ontbreken specifieke cijfers over vertrekkenden uit ‘s-Gravendeel, maar het is wel waarschijnlijk dat ’s-Gravendelers werk zochten in Dordrecht en Rotterdam, waar de scheepsbouw, de scheepvaart, de handel en het laden en lossen van goederen veel werk boden. In de vorige paragraaf bleek al dat een deel van de Rotterdamse en Dordtse migranten uit de Hoeksche Waard kwam.

Dat het vlas bewerkt werd bleek ook uit de klacht over de tolheffing van het vlas. Het vlas werd ten onrechte belast terwijl het van en naar de sloten werd gebracht om te roten.(22) In 1861 werd opgegeven dat ’s-Gravendeel 17 zwingelketen had, met meer dan tien arbeidskrachten.(23) Als antwoord op vragen van de adjunct-inspecteur van het geneeskundige staatstoezicht in de provincie Zuid-Holland gaf burgemeester Heereman op dat in 1868 32,5 bunder vlas werd geteeld, dat grotendeels in ’s-Gravendeel werd verwerkt. Maar de aanvoer van vlas uit andere streken was vele malen groter, die bedroeg doorgaans 200 tot 300 bunders. In datzelfde antwoord werd opgegeven dat ’s-Gravendeel geen grote vlasfabrieken kende: ‘de grootste zwingelkeet bevat 20 tot 24 arbeiders.’(24)

Volgens A.C. de Zeeuw werkte omstreeks 1870 tweederde van de beroepsbevolking als vlasarbeider en was de vlasindustrie de belangrijkste bron van inkomsten.(25) Dit komt overeen met de bloeiperiode in de Nederlandse vlasindustrie ten tijde van de Amerikaanse burgeroorlog.

Dit wordt ook bevestigd door een brief van burgemeester Vaarzon Morel in 1877, waarin hij meldde: ‘(…) dat slechts een vierde gedeelte van de bevolking behoort tot de gegoeden, zijnde het overige steeds vlasarbeiders, zoodat zelfs bij een minder gunstige vlasbouw de belastingen reeds bezwarend voor dat een vierde gedeelte zijn.’(26)

Nog een blijk van de goede situatie in de vlasindustrie in de jaren zeventig waren de aanvragen van de burgemeester van ’s-Gravendeel aan de officier van justitie in Dordrecht in 1873, in 1876 en in 1877 om de beschikking te mogen hebben van de rijksveldwachter: ‘Aangezien de aanvoer van vlas aanzienlijk zal zijn en daardoor de tegenwoordigheid van vreemde schippers en knechts groot zal wezen, zoo verzoek ik u tot handhaving der rust ter mijner beschikking te stellen (…) de alhier gestationeerde rijksveldwachter brigadier Robat.’(27)

In 1878 was het tij weer gekeerd. In een brief aan de voorzitter van een subcommissie tot het inzamelen van gelden ten behoeve van een nationaal geschenk aan prins Hendrik meldde burgemeester Vaarzon Morel: ‘(…) dat de alhier in te zamelen som niet groot zal wezen, wegens de herhaaldelijke ongunstige jaren voor de vlasbouw, die het hoofdbestaan der ingezetenen uitmaakt.’(28)