logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Hoofdstuk 3 Doctoraalscriptie "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

 

3 De vlasserij in Europa en Nederland

Om de vlasserij van ’s-Gravendeel in een groter verband te plaatsen, zal in dit hoofdstuk eerst aandacht worden besteed aan de vlasserij in Europa en Nederland.

3.1 Europa

3.1.1 Vlasteelt in Europa

Ruim 3000 jaar voor onze jaartelling werd vlas al bewerkt in het Midden-Oosten. De Egyptische farao’s werden gewikkeld in linnenwindsels en veel mummies waren gehuld in linnenstoffen. Over de verspreiding van de vlascultuur naar West-Europa is geen precieze datering bekend, maar historische vondsten tonen aan dat omstreeks het begin van onze jaartelling het vlas in heel West-Europa bekend is geweest.(1)

Vezelvlas werd uitsluitend in de vochtige, koele streken van de wereld geteeld, zoals West-Europa. Binnen Europa, maar ook in de wereld, was Rusland verreweg het grootste productiegebied, zoals blijkt uit grafiek 1 (zie ook bijlage 4). Rusland verbouwde ongeveer 75% tot 79% van het wereldareaal aan vezelvlas.(2)

In Nederland was de verbouwde oppervlakte tussen 1924 en 1939 gelijk aan 1% van het Russische vlasareaal.(3) Dit percentage wordt voor latere jaren bevestigd door de Food and Agriculture Organization (FAO): tussen 1954 en 1970 was het Nederlandse vlasareaal gemiddeld 1,4 % van het Russische areaal.(4)

Grafiek 1 Wereldareaal vezelvlas
Grafiek 1. Wereldareaal vezelvlas 1954-1970. Bron: FAO Yearbook of food and agricultural statistics (Rome, 1948-1957) en FAO Production yearbook (Rome, 1959-1970)

De concurrentiemogelijkheden van het Westen lagen in de hoge opbrengst per hectare en in de kwaliteit van het vlasstro en het vlaslint. Het vlasstro uit Nederland, België en Noord-Frankrijk behoorden tot de beste in de wereld.(5)

Vooral Nederland en België hadden ruim drie maal zoveel opbrengst als Rusland. In de jaren 1924 tot 1938 was het gemiddelde lintrendement in Rusland 237 kilo per hectare, in Frankrijk 724, in Nederland 786 en in België 814 kilo per hectare.(6) De verschillen werden veroorzaakt door het klimaat, door hoogwaardig zaaizaad en betere teelttechnieken, zoals het gebruik van kunstmest, mechanisatie en gewasbescherming.

Uit de statistieken van de FAO (zie grafiek 2) blijkt duidelijk dat vooral de vlasopbrengsten van Nederland en België vanaf 1956 fors gestegen zijn. Rond 1963 liggen de rendementen van Nederland, België en Frankrijk ongeveer op eenzelfde niveau. Het rendement in Rusland is vanaf 1956 slechts iets hoger geworden dan het gemiddelde rendement van 1924-1938.

Grafiek 2 Opbrengst vlaslint en vlaszaad
Grafiek 2. Opbrengst vlaslint en vlaszaad per hectare in Nederland, België, Frankrijk,
Europa (zonder Rusland) en Rusland
1956-1969. Bron: FAO Production yearbook, 1956-1969.

De kwaliteit van het Russische vlas was duidelijk lager, maar het vlas was wel goedkoper. Twee voorbeelden kunnen dit verduidelijken. Door de lage prijzen waartegen de Russen in 1957 hun vlas aanboden, werd in West-Europa zelfs gesproken in termen van dumping. Dit had duidelijk zijn weerslag op de West-Europese vlasproductie. Het vlasareaal daalde in 1959 ongeveer 48% t.o.v. 1956.(7)

In 1970 stelde de Europese Gemeenschap een hectaretoeslag in voor vezelvlas, omdat de vlasteelt in de gemeenschap werd bedreigd door de grote invoer van goedkoop vlasstro uit de USSR.(8)

De aanvoer van Russisch vlas was niet constant. Rusland verscheen in 1956 plotseling weer als exporteur op de West-Europese vlasmarkt, nadat het sinds 1939 praktisch van deze markt was weggebleven.

3.1.2 Vlasbewerking in Europa

Zoals Rusland overheerste in de vlasteelt, zo was de Vlaamse vlasindustrie in West-Europa sterk dominant in de periode 1929 tot 1938, zoals uit tabel 1 blijkt.

Tabel 1. Uitvoer van gezwingeld vlas uit België, Nederland en Frankrijk (x 100.000 kilo) 1929-1938

Jaar

België

Nederland

Frankrijk

Jaar

België

Nederland

Frankrijk

1929

281

41

7

1934

306

45

28

1930

271

24

6

1935

295

56

22

1931

247

14

8

1936

307

52

29

1932

225

17

10

1937

315

60

35

1933

261

32

10

1938

373

64

35

De Belgische nijverheid had in verschillende opzichten een voorsprong op de Nederlandse vlasindustrie. België had beter rootwater en meer vakkennis, waardoor zij een beter product kon leveren. Bovendien gaf de Belgische overheid, in tegenstelling tot de Nederlandse, financiële steun bij proefnemingen om de werkmethoden te verbeteren.(10)

In België was de vlasindustrie, vooral de roterijen, voor de Tweede Wereldoorlog moderner dan de industrie op de Zuid-Hollandse eilanden. De productiekosten van de Zuid-Hollandse vlasindustrie zijn steeds hoger geweest dan die van de Belgische nijverheid.(11)

Als we kijken naar de procentuele verdeling van de productie van bewerkt vlas in West-Europa (zie tabel 2), dan is de situatie vanaf 1956 anders: in Nederland, België en Frankrijk werd ongeveer evenveel vlas bewerkt.

Vanaf 1961 groeide het aandeel van de Franse vlasbewerking sterk ten opzichte van de productie in België en Nederland. In 1961 neemt Frankrijk 48% voor zijn rekening, wat in 1970 zelfs is gegroeid tot 69%. Vermoedelijk ligt de oorzaak hiervan in de subsidies, die Frankrijk gaf aan de vlasindustrie, in tegenstelling tot Nederland en België.

Tabel 2. Productie gezwingeld vlas in Nederland, België en Frankrijk 1956-1970 (x 1000 ton)(12)

Jaar

Nederland

België

Frankrijk

Jaar

Nederland

België

Frankrijk

1956

32%

34%

34%

1964

23%

27%

50%

1957

31%

34%

34%

1965

23%

27%

51%

1958

28%

41%

31%

1966

18%

23%

59%

1959

28%

33%

39%

1967

13%

18%

69%

1960

30%

34%

36%

1968

16%

22%

63%

1961

24%

28%

48%

1969

14%

22%

64%

1962

24%

30%

46%

1970

19%

12%

69%

1963

23%

27%

49%

 

 

 

 

3.1.3 Concurrerende vezels

Eeuwenlang was linnen, gemaakt van vlas, de belangrijkste plantaardige textielvezel in Europa, zoals wol domineerde onder de dierlijke vezels. In de negentiende eeuw veranderde de positie van vlas door de opkomst van andere textielvezels, voornamelijk katoen. Bij de bewerking heeft katoen een voorsprong op vlas, omdat er minder handelingen nodig zijn. Roten en zwingelen zijn extra werkzaamheden, die bij de katoenbewerking niet nodig zijn.

Tot ongeveer 1800 was katoen voor West-Europa  een buitenlands product dat relatief schaars en duur was. In deze periode lag de katoenprijs hoger dan de vlasprijs. In 1793 werd in Amerika een machine, de ‘cotton gin’ gemaakt, die het ontpitten en reinigen van katoen enorm versnelde. Door de productieverhoging, die hier het gevolg van was, halveerde binnen enkele jaren de katoenvezelprijs.(13)

In de loop van de negentiende eeuw neemt de voorsprong van katoen op vlas steeds meer toe. Maar in de periode 1861-1865 maakte de vlasindustrie een ongekende bloeiperiode door, omdat de aanvoer van Amerikaanse katoen, de grote leverancier, wegvalt door de Amerikaanse burgeroorlog. Door deze katoenschaarste steeg de prijs van katoen en werd katoen duurder dan vlas.

Maar de concurrentie van katoen is na 1865 opnieuw duidelijk voelbaar als de katoenaanvoer vanuit Amerika weer op gang komt. In de Eerste Wereldoorlog en kort daarna kent het vlas nogmaals een bloeiperiode, weer door de schaarste van de katoenvezel in Europa, maar ook door de toegenomen behoefte van de West-Europese legers.

Na 1949 werd katoen weer duurder dan vlas. Jongbloed geeft hier twee oorzaken voor.(14) De eerste oorzaak was de prijspolitiek van de Amerikaanse autoriteiten, die de katoenprijs zodanig hoog hielden dat ook kleine katoenproducenten nog lonend konden produceren. De tweede oorzaak was de Russische prijspolitiek ten aanzien van het vlas, waardoor na 1956 grote Russische vlasexporten naar Europa kwamen tegen lage prijzen.

De katoenproductie is vanaf 1880 aanzienlijk toegenomen (zie grafiek 3). De vlasproductie is ongeveer gelijk gebleven vanaf begin twintigste eeuw, met uitzondering van een daling tussen de periode 1920-1929. Het vlas kon zich toch staande houden dank zij drie niet te evenaren eigenschappen: goede warmtegeleiding, grote duurzaamheid en sterkte en het pluist niet.(15)

Grafiek 3 Procentueel aandeel van vezels
Grafiek 3. Procentueel aandeel van vezels 1800-1956. Bron: Jongbloed, Enige economische aspecten, 69.

Rond 1920 kwam een andere concurrent van het vlas op, namelijk de kunstmatige vezels. Vooral vanaf de jaren zestig in de twintigste eeuw werden de synthetische vezels, zoals rayon en nylon, een serieuze concurrent van de natuurlijke vezels. (zie grafiek 4).

Grafiek 4 Wereldvezelverbruik
Grafiek 4. Wereldvezelverbruik in procenten 1960-1972.Bron: Cevaal en Hartmans, Bedrijfseconomische perspectieven, 9.