logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Hoofdstuk 2 Doctoraalscriptie "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

 

2 De vlasserij: vlasteelt en vlasbewerking

Voor een goed beeld van de vlasserij zal in dit hoofdstuk allereerst het proces worden besproken om van lijnzaad tot vlaslint te komen. De vlasserij bestaat enerzijds uit de vlasteelt, een landbouwactiviteit en anderzijds uit de vlasbewerking, een landbouwnijverheid.

In onderstaand schema (schema 1) is te zien hoe de vlasteelt en de vlasbewerking over de maanden van het jaar waren verdeeld. Begin april of vroeger werd het vlas gezaaid. Ongeveer honderd dagen na het inzaaien werd het vlas begin tot half juli geoogst.

De eerste vlasbewerking, het repelen, begon ongeveer half augustus, het rootseizoen liep van eind maart tot in oktober en vanaf de herfst tot het voorjaar werd er gezwingeld. Toen de mechanisering haar intrede deed werd bij de grotere bedrijven gedurende het hele jaar gezwingeld.

Schema 1 Kalender vlasteelt en vlasbewerking

Tekening 1 Vlasplant2.1  Vlasteelt  

2.1.1 Beschrijving en soorten

Vlas is een natuurproduct. Het klimaat, vooral de neerslaghoeveelheden en de neerslagverdeling, de teeltwijze en de verwerking zijn van grote invloed op de kwaliteit van het eindproduct.

Bij de teelt en verwerking van vlas gaat het in hoofdzaak om twee hoofdproducten: het vlaslint, de geheel gezuiverde vlasvezel, en het vlaszaad of lijnzaad. Afhankelijk van het ras, de groeiomstandigheden en de plaats van productie is meestal één van de twee hoofdproducten het belangrijkste. Het wordt dan respectievelijk vezelvlas of olievlas genoemd.

Bij de verbouw van vezelvlas gaat het om de winning van de vezel uit de stengel van de plant, terwijl het zaad een bijproduct is. Bij vezelvlas is vóór de bloeiperiode vochtig en koel weer gewenst, maar na de bloeiperiode vraagt de plant veel zonneschijn voor een goede vezelvorming en een sterke vezel.

Een te grote warmte bevordert de zaadgroei en een verdergaande verhouting, waar het bij het vezelvlas juist niet om te doen is. Vezelvlas gedijt dan ook het best in vochtige en koele klimaten en is bijna uitsluitend op het noordelijk halfrond te vinden.

Het olievlas vraagt daarentegen veel warmte en licht, terwijl de vochtigheid niet zo’n grote rol speelt. Olievlas is te vinden in de (semi-)droge klimaten, zoals in Noord-Afrika. In dit werkstuk zal ik uitsluitend vezelvlas bespreken.

Economisch belangrijk is de vlassoort Linum usitatissimum, een eenjarig landbouwgewas. Vlas is ongeveer zeventig tot negentig centimeter hoog en bloeit met blauwe of witte bloemen in juni tot juli.

Elk vlasbloempje bloeit maar enkele uren, de bloei van een perceel vlas duurt enkele dagen. In juli is het vlas volgroeid tot een dunne groene stengel waaraan kleine groene stengelblaadjes zitten en bovenaan een vijf- tot achtvoudige vertakking met de bloemen, waar later de zaadbolletjes verschijnen (zie tekening 1 op de vorige bladzijde, 1).

In de vlasstengel bevinden de vezels zich rondom de houtkern in de bast of schors van de plant (zie tekening 2, 2). De schors bestaat uit vijf lagen cellen met veel openingen die door pectine, een slijmerige kleefstof, aan elkaar verbonden zijn. De vlasvezels zijn ongeveer even lang als de stengel tot aan het deel waar de vertakkingen met bloemen ontstaan, dat wil zeggen zeventig tot negentig centimeter lang.

Tekening doorsnede vlasstengel

Tekening 2. Doorsnede van een vlasstengel.

a = Cuticula, een waslaagje
b = Opperhuid of epidermis
c = Primaire schors
d = Vezelbundels
e = Secondaire schors
f = Cambium
g = Houtpijp
h = Merg
i = Mergholte of luchtkanaal

 

Tot aan de Eerste Wereldoorlog werd het lijnzaad uit Rusland en de Baltische staten geïmporteerd in Nederland en onder de naam Rigazaad in de handel gebracht.(3) Het Rigazaad gaf blauwbloeiend vlas.

Het witbloeiende vlas werd vanaf ongeveer 1830 in Friesland geteeld.(4) Het vlas had niet zo’n fijne vezel als het beste blauwbloeiende vlas, maar was beter resistent tegen verschillende ziekten, die vooral in Zeeland, Holland en Brabant in blauwbloei voorkwamen.(5)

Door het kruisen en veredelen van vlassoorten, voornamelijk in Groningen, en later door de strenge keuringen van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK) is dit onderscheid gaandeweg minder duidelijk geworden en groeide in Nederland een markt van goed zaaizaad.(6)

Blauwbloei werd vroeger het meest verbouwd. Rond 1910 werd in Zuid-Holland nog uitsluitend blauwbloem geteeld.(7) Vanaf de periode 1914 tot 1918, toen vlaszaad onmogelijk kon worden ingevoerd door de Eerste Wereldoorlog, heeft de teelt van inheemse witbloei zich belangrijk uitgebreid in Nederland. In 1934 werd in Nederland twintig procent blauwbloem en tachtig procent witbloem gezaaid.(8) In het oogstjaar 1939 was de verschuiving nog sterker doorgezet tot negen procent blauwbloeiend vlas en 91% witbloeiend vlas.(9)

2.1.2 Zaaien en oogsten

Bij het zaaien moet het zaad goed verdeeld en gelijkmatig verspreid worden om een gelijkmatig gewas te krijgen. Het zaaien wordt begin april of vroeger gedaan, volgens een oud gezegde ‘rond de honderdsten dag van het jaar’, dit wil zeggen omstreeks 10 april.

Van oudsher zaaide men met de hand, later tot aan de jaren dertig van de twintigste eeuw met behulp van de zaaiviool en nog later werd een zaaimachine gebruikt. Een precieze datering is niet te geven, maar ‘Beschrijving der vlascultuur’ spreekt over het meer en meer inzetten van de rijenzaaimachine, die dicht naast elkaar lopende rijen zaait, rond 1910 in het zuiden van Nederland.(10)

In de ‘Mededeelingen van het bestuur der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van vlas-industrie’ (hierna kortweg Mededeelingen genoemd) wordt in de beschrijving van de toestand van het gewas in de Hoeksche Waard in 1912  gesproken over vlas dat machinaal was gezaaid.(11)

Door zijn korte groeiperiode, ongeveer honderd dagen, vraagt het vlas een zeer goede en zorgvuldige bemesting. Na 1918 wordt het gebruik van kunstmest steeds groter.(12)

Tijdens de groei wordt het vlas bedreigd door ziekten, onkruiden en ongedierte. De meest voorkomende ziekten zijn vlasroest en vlasbrand, beide schimmelziektes, en dode harrel, een verwelkingziekte, waarbij de stengel geheel of gedeeltelijk afsterft. Om de kans op plantenziekten te verkleinen werd vlas maar eens in de zeven jaar op hetzelfde areaal verbouwd.

Het onkruid haalt veel voedingsstoffen uit de bodem die het vlas zelf hard nodig heeft. Tot ongeveer 1960 wiedde men de vlasakker door op de knieën over het perceel te kruipen en met de hand of met een stekertje het onkruid eruit te trekken. Schoenen of klompen mochten niet worden gedragen om beschadigingen van het vlas te voorkomen. Na 1960 wordt dit handmatige wieden vervangen door chemische onkruidbestrijding.(13)

Veel onkruid op een perceel bemoeilijkt het trekken van het vlas en verhoogt de kostprijs van het strovlas. Tijdens het handmatig plukken waren vooral kleefkruid en riet, die schrammen of sneden gaven, en distels, waarvan de fijne pennetjes zich in de handen boorden, onaangenaam. Veel onkruid maakt ook het roten en zwingelen duurder en maakt het vlas minder geschikt voor machinale bewerking. Ook het vezelrendement en de vezelkwaliteit worden door veel onkruid ongunstig beïnvloed.(14)

Naast bedreiging door onkruiden, ongedierte en ziekten vormt ook het weer, vooral hagel, een bedreiging voor het groeiende vlas.

2.1.3 Plukken en binden

Eind juni gingen de vlassers erop uit om het vlas te kopen dat op het land stond en dan gemiddeld zeventig tot negentig centimeter hoog was. Als peildatum voor deze zwerftochten werd Sint-Jan genoemd, 24 juni. De ‘vlasboere zijn Sintjanne’ werd dan gezegd.(15)

Ook het vlas dat ver van huis was ingezaaid en het vlas dat rond Sint-Jan was gekocht, moest worden geplukt, gebonden en geschelfd. De plukkers en pluksters gingen dan voor een paar weken van huis, ‘naer overe’ werd het genoemd in de Hoeksche Waard.(16) Het vlas werd vervolgens per trein, per schip en later per vrachtauto naar onder andere ’s-Gravendeel vervoerd voor de bewerking.

Als het zaad in de bolletjes zich gevormd heeft, het vlas van groen naar groengeel is verkleurd en de stengelblaadjes tot op een derde van de hoogte verdord en afgevallen zijn, dan kan het vlas worden geoogst. Het oogsten gebeurt door middel van trekken, ook wel plukken genoemd, en de geoogste vlasstengels worden vlasstro of strovlas genoemd.

Tussen 1 en 15 juli begint meestal het plukken van het vlas, dit wil zeggen met wortel en al wordt de vlasplant uit de grond getrokken. Het vlas wordt getrokken om ook de vezels die in het worteleinde zitten te behouden, hoewel deze van mindere kwaliteit zijn.

De vlassers meten het vlas niet in centimeters maar in handen of handbreedten. Men spreekt van vlas van zeven, acht, tien of twaalf handen.(17)

Het plukken of trekken van het vlas was zeer arbeidsintensief, het vlastrekken met de hand kostte ongeveer 120 manuren per hectare.(18) In Nederland werd in de jaren vijftig van de twintigste eeuw nog ongeveer tien procent met de hand geplukt.(19) Omdat het plukken zwaar werk was, hield men regelmatig een stop, ongeveer elke drie kwartier.

Nadat het vlas was getrokken werd het bij elkaar gebonden in schranken om te drogen. Een schrank bestond uit vijf handvollen(20) en moest een omtrek van 55 cm hebben.(21) Gemiddeld haalde een flinke plukker 550 tot 600 schranken per dag.(

Na het binden van het vlas in schranken werd het vlas op hopen gezet, door acht schranken twee aan twee tegen elkaar te zetten in rechte rijen op het land (zie foto 1).(23) Een vaardige binder kon 300 tot 350 hopen per dag maken.(24)

Afbeelding
Foto’s 1 (links) en 2 (rechts). De schranken zijn op hopen gezet (foto 1)
en op een tijdelijke schelf op het land (foto 2). Fotocollectie A.B. de Jong.

Pas omstreeks de jaren vijftig van de twintigste eeuw nam de plukmachine het zware vlasplukken over. Aanvankelijk werd de plukmachine door een paard of tractor getrokken, later kwamen er zelfvoortbewegende vlasplukmachines, die het geplukte vlas gelijk tot schranken bundelden. De vlasplukmachines kwamen eerst uit België, later werden ze onder andere gemaakt door Machinefabriek D. Barth te ’s-Gravendeel.

Na enige tijd werd het vlas begin tot half augustus naar huis gehaald, waar het in de schuur werd opgeslagen. Als er in de schuur geen plaats was, maakte men buiten een schelf, een stapel vlas. Twintig procent van het vlasstro bestaat uit vlasvezel.(25) Dus tachtig procent is dode last, waardoor het transport van vlasstro zo volumineus was.