logo 's-Gravendeel

Digitaal dorp
's-Gravendeel

Alles over 's-Gravendeel...

Bijlage 16 Doctoraalscriptie "De vlasserij in 's-Gravendeel"

Vorige Inhoudsopgave Volgende

 

Bijlage 16 Diverse versies van het vlasraadsel en gedichten

Toen ik jong was en schoon
Droeg ik een blauwe kroon
Toen ik oud was en stijf
Sloeg men mij op het lijf
En toen ik genoeg was geslagen
Werd ik door keizers en koningen gedragen.(1)

De Vlaamse versie van het vlasraadsel:
As ek was jonk en schone,
Droeg ‘k ‘m blauwe kroone;
As ek was aud en stijf,
Kreeg ek veel sla(g)en op mij’ lijf;
As ek die sla(g)en ha’ verdre(g)en,
Wierd ek van prinsen en keunenge gedre(g)en;
En as ek veur niet meer en docht,
Wierd ek deur de kinders in de schole gebrocht.(2)

Een versie van Pol de Mont:
Toen ik jong was en schoon
Droeg ik een blauwe kroon
Toen ik werd oud, stijf en voos
Werd ik geslagen vals en boos
Dan werd ik gedragen
Door hogen en lagen
Door laten en graven
Door laffen en braven
Toen men die eer me onwaardig vond
Toen hielp ik helen menige wond.(3)

Een variant op het Vlaamse vlasraadsel, gemaakt door een ’s-Gravendeelse vlasser in 1923 ter gelegenheid van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de landbouwtentoonstelling in Ridderkerk:

Toen ik was jong en schoon
Droeg ik een blauwen kroon
Toen ik werd oud en stijf
Kreeg ik een band om ’t lijf.
Ze hebben me laten zinken
Beladen, tot ik ging stinken.
Toen werd ik met vereende kracht
Van den last ontdaan, door elkeen veracht.
Ik werd op ’t land gezet, verfrischt door de natuur
Geborgen in de schuur
Hier werd ik gestooten, geknepen, geslagen
En eindlijk door Keizers en Koningen gedragen.

Volgens De Haan(4) zag de ’s-Gravendeelse versie er als volgt uit:
Toen ik was jong en schoon
Droeg ik een blauwe kroon.
Toen ik was oud en stijf
Sloegen ze mij een band om het lijf.
Toen hebben ze me laten zinken,
Totdat ik begon te stinken;
Toen mij weer op de kant gezet
En laten drogen van de pret.
Ik werd geboggeld en gekoggeld en krom geslagen
En later door koningen en prinsen gedragen.

Aan mijn dorpsvlassers (L. Nolen, januari 1921)

Fortuna brengt zijn zegen
Zoo altijd juist van pas,
Lang wordt hij soms vorbeden
Door hem die in arme was.

Armoe is geen schande
Als men het eerlijk wordt, 
Hij die zijn zaak behartigd
Hem treft geen bitt’ren spot.

Zoo ging het eens de boeren
Van ’t dorpje ’s-Gravendeel,
Hard werkend zonder zegen
Werd armoede hun deel.  

Die twintig jaar geleden
Met vlasserij begon,
En eigen huis en centen
Al donker werd hun zon. 

Zoo ging den één den andere
In tegenslagen voor
Verscheiden ging hun spaarduit
Met eerlijk zweet teloor. 

Steeds erger kwamen slagen
Voor d’industrie van ’t vlas,
Hoop’loos werd hun leven
Men bad: geen zegen ras.  

Want niet alleen hun centen
Verloren zij aan ’t vlas,
Geen enk’le steen van ’t huisje
Dat was meer onbelast.

Nog verder ging hun armoe
Ellendiger hun staat,
De armoe was te lezen
Op vlassers hun gelaat.

Geen vlasje kon men koopen
Meer men hun eigen geld,
De Bank moest aangesproken
Met Borg of kreeg geen geld.

En op en drafje moest dan
Schoongemaakt het vlas,
Men moest weer centen hebben
Voor ’t zwingelen van ’t vlas.

Zoo tobten eens de vlassers
Voor ’t onderhoud van Vrouw,
't Was of de zegen nooit meer
Hun tegen lachen zou.

Bedroefd zat men ter neder
Met vingers in het haar,
De vrome bad: och Heere
Dat Gij ons toch bewaar.

Dat wij niet dieper zinken
In ons ellende staat,
Het water is tot lippen…
Dat rad den mond in gaat.

Als nood is op zijn hoogste
Is redding zeer nabij,
Zoo ging het ook den vlasboer
Fortuin kwam aan zijn zij.

Wat zij in twintig jaar
In tegenslag verloor,
Kwam meer dan hondervoudig
,Hun tegenlachen hoor.

Met goud ging men betalen
Wat vroeger zilver was,
Want ongelogen kreeg men
Voor slechts één steentje vlas.

Tien guldens maar mijnheertje
Eén was het vroeger maar,
Leg voor tien zakjes vlaszaad
Thans duizend poppen klaar.

Zooals het hemelwater
Bij stroomen nederweld,
Zoo stroomt in boer zijn brandkast
Zijn eens verspeelde geld.

Zijn huis kon hij weer koopen
Werd vrij van hypotheek,
Ja hield tienvoudig over
Gelaatsarmoede week.

En naar de Boerenleenbank
Bracht hij zijn kapitaal,
Of gàf een hypotheekje
Niet ééns, doch vaak meermaal.

 

Het vlas komt terug! (C. den Boer Dz.)(5)

De kunstvezel verdrong het vlas,
Een product dat er alle eeuwen was.
Wat een drukte bij, en over die Akzo!
Welk een toestand met dat hoerejong
Kunstmatig zijn ze gaan proberen
Hem het leven te creëren
Doch dat mooie echte kind
Ze vermoorden het heel gezwind
Ik vraag mij dan ook dikwijls af
Waarop trapten ze de zoon in ’t graf
Was hij dan die hulp niet waard
Die het hoerejong ervaart
De vlassers liet men staan in de kou
En nu zitten ze met de kunst in ’t nauw
Wat leefden van die echte zoon er veel
De landbouw, de veeteelt, de industrie in stee
Van de Dollard tot over de Schelde
Dit moet ik er even bij vermelden
Liet hij de guldens rollen voor schipper en boer
En nu is door kunstvezel het vlas op zijn retour
De Spoorwegen en de tram
Leefde er ook nog van
De vlasser investeerde wat hij kon
En dat bleef vaak niet onder de ton
Daarna kwam de weverij en spinnerij
Met aller hande arbeid in ’t getij
De kunstvezel was zijn zware concurrent
En nu loopt ook deze bedrijfstak naar het end
De  gekken solden met het hoerejong-produkt
En maakten de eigen zonen stuk
Niemand wilde hem meer zien
Er verscheen een andere ster: misschien?
Doch berouwvol zullen ze gaan spreken
Over het vlas en hun geweten
Omdat ze het vlas voor ’t grootste gedeelte lieten gaan
En nu voor de stukken zijn komen te staan
Mensen leef nu met de onechte voort
Tot hij ook moet overboord
Wat het vlas, nu op zijn retour, het komt terug
Het man dan gaan niet al te vlug
Surrogaat kan het op de duur niet winnen
Daar, van het vlas, komt het fijnste linnen.