| Vorige | Terug naar inhoudsopgave | Volgende |
5.2 Loon en aanvullingen
Wat nog niet ter sprake is gekomen is de beloning in de vlasindustrie. Jaarlijks werd met iedereen groepsgewijs onderhandeld over het loon.
Bij het zwingelen werden de vlasarbeiders per uur betaald, het plukken van vlas en het legen van de rootbakken was stukloon, aangenomen werk. Ook mensen met een handicap of gebrek vonden werk in het vlas, ze verdienden wel minder dan de rest.
Bij de loononderhandelingen was meestal wel een zekere spanning merkbaar, maar de vlassers en de vlasarbeiders moesten toch met elkaar verder. De vlassers hielden voor wat betreft het loon noodgedwongen enigszins rekening met Rotterdam, want een vlasarbeider kon, als het hem niet beviel, altijd in Rotterdam of Dordrecht gaan werken. Het loon werd eigenlijk door de grote vlassers bepaald en de kleine vlassers moesten mee, anders vertrokken de vlasarbeiders.(34)
In theorie kon een vlasser meer loon betalen om vlasarbeiders te trekken, maar de marges in het vlas waren betrekkelijk klein, dus dan zou zo’n vlasser zichzelf uit de markt prijzen. ‘Het was waarschijnlijk een ongeschreven wet, dat men geen personeel bij een andere vlasser weg ging halen. Dat was praktisch uitgesloten, die concurrentie was er in wezen niet.’(35) Dat veel vlassers familie van elkaar waren, zal hieraan niet vreemd zijn.
Het loon in de vlasindustrie was karig en om dat aan te vullen was vrouwen- en kinderarbeid vroeger gebruikelijk. De verhouding tussen het aantal volwassen mannelijke arbeiders en het totaal aantal werkende personen in de vlasindustrie bedroeg eind negentiende eeuw zes staat tot twintig.(36)
Deze verhouding werd niet bevestigd door de landelijke nijverheidsstatistiek in 1887 door de heren Struve en Bekaar. In dit onderzoek werden 53 vlasserijen in Nederland onderzocht, waarin totaal 929 mannelijke werklieden ouder dan achttien jaar werkten en 750 vrouwen, jongens en meisjes, dus een verhouding van 57% ten opzichte van 43%. Slechts in 18 vlasserijen waren de volwassen mannelijke arbeiders in de minderheid.(37)
Er waren geen werkzaamheden die beter door kinderen of vrouwen gedaan konden worden, het ging de vlasser alleen om meer werkkrachten.(38) Vooral als de vlasserij weinig winstgevend was en behoefte had aan lage arbeidslonen, om niet geheel te gronde te gaan, konden de arbeidskrachten van vrouwen en kinderen niet gemist worden. Deze lage arbeidslonen maakten het dan weer noodzakelijk, dat het gehele gezin bijdroeg aan het onderhoud.(39)
In het ‘Kinderwetje van Van Houten’ werd in 1874 het in dienst hebben of nemen van kinderen beneden de twaalf jaar verboden. Een uitzondering gold voor huishoudelijk werk en veldarbeid, dus niet voor de vlasindustrie. Bij het zwingelen en opmaken van het vlas werden kinderen boven de twaalf jaar gebruikt.(40)
In een opgave aan de Arbeidsinspectie meldde burgemeester Vaarzon Morel dat in 1890 in ’s-Gravendeel geen kinderen van twaalf en dertien jaar werkten, wel zes jongens van dertien en veertien jaar, veertien jongens van veertien en vijftien jaar en twaalf jongens van vijftien en zestien jaar.(41) In diezelfde opgave werd gemeld dat bij zestien vlasserijen 29 jongens beneden de zestien jaar (van totaal 32) werkten en 27 vrouwen boven de zestien jaar.
In 1911 werd arbeid voor kinderen onder de veertien jaar verboden, weer met uitzondering van kinderarbeid in de landbouw. Pas in 1981 kwam er een totaal verbod voor kinderarbeid onder de veertien jaar.(42)
Als dertienjarige mocht je dus tussen 1911 en 1981 wel werken in de landbouw, maar niet in de vlasindustrie, dan moest je veertien jaar zijn. Een van de geïnterviewden vertelde dat hij met twee andere jonge jongens onder de veertien jaar aan het repelen was toen de Arbeidsinspectie kwam. Ze vluchtten weg. Door weg te lopen hadden de jongens de vlasser een boete uitgespaard, maar er werd wel anderhalf uur loon ingehouden.(43)
Volgens Damsma en Noordegraaf nam vrouwenarbeid met de mechanisatie in de vlasserij toe.(44) Dit is in tegenspraak met de parlementaire enquête, die constateerde dat er eind negentiende eeuw juist veel vrouwen en kinderen werkten in de vlasindustrie. Door de mechanisatie, die ongeveer in 1912 goed op gang kwam, lijkt de vrouwenarbeid juist te zijn vervangen door mannenarbeid.
Op oude foto’s zijn vrijwel geen vrouwen zichtbaar bij de machines (zie foto 12). Volgens de beroepstelling werkten in 1909 332 mannelijke en slechts 5 vrouwelijke vlasarbeiders in ’s-Gravendeel in de vlasindustrie.
Vrouwenarbeid kwam in de meeste sociale lagen weinig voor, behalve onder de ongeschoolde en fabrieksarbeiders in de steden en de landarbeidersbevolking op het platteland.(45)
Een onderdeel van het ‘beschavingsoffensief’ eind negentiende eeuw, waarbij burgerlijke waarden onder de aandacht van de arbeiders werd gebracht, was het bevorderen van het idee dat de gehuwde man in staat moest zijn het inkomen voor het huishouden te verdienen.(46)
De stijging van het reële loon na ongeveer 1870 moest dit mogelijk maken. Voor de arbeiders werd het dan ook een statussymbool als hun vrouw niet hoefde te werken. Na de oorlog zag je vrijwel geen vrouwen meer in het vlas.(47)
Naast vrouwen- en kinderarbeid was in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw het gebruik van grond voor eigen consumptie voor landarbeiders en vlasarbeiders een middel om het karige loon aan te vullen. Zeker in tijden van werkloosheid was het nodig om over voldoende voedsel voor het gezin te beschikken. Op de Schenkeldijk hadden alle mensen een tuin met groenten en aardappelen, een varken en kippen.(48)
Om wat extra’s te verdienen gingen veel vlasarbeiders in de herfst even uit het vlas om aardappelen en bieten te rooien. Het delven van aardappelen en het steken van bieten was aangenomen werk, betaald per hoeveelheid geoogst product. Dus hoe harder men werkte, des te meer verdiende men.
Er gingen ook vlasarbeiders werken in de suikerfabriek in Puttershoek, wat door de ploegendienst ook wat extra’s opleverde. Dat sloot mooi aan. Het roten was meestal afgelopen in september of oktober en dan begon de suikerfabriek.
Na nieuwjaar kwamen de vlasarbeiders weer terug om te repelen en te zwingelen. De oudere vlasarbeiders bleven meestal doorwerken in het vlas.
Deze gang van zaken was zeer gebruikelijk zoals blijkt uit het eerste artikel van een modelarbeidsovereenkomst die in 1909 werd gepubliceerd in de Mededeelingen van het bestuur der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van vlas-industrie: ‘Echter zal de werkman in den wiedtijd en den peeëntijd het recht hebben in het landbouwbedrijf voor een ander werkzaam te zijn (…).’ (49)
Dat deze extra’s een noodzaak en een gebruik waren bleek ook uit de aanvulling op het loon van de stoker van de Coöperatie. Deze kreeg naast zijn loon een vergoeding in aardappelen, als hij niet kon gaan delven. Zo kreeg hij in 1928 zestien hectoliter aardappelen.(50)
Met de komst van de turbine werkte het vlasbedrijf het hele jaar door. Het uitwisselen van arbeiders met de akkerbouw was hierdoor niet overal meer mogelijk.
5.3 Afhankelijkheid vlasarbeiders
In tijden van werkloosheid moest de arbeider in de negentiende eeuw aankloppen bij het Burgerlijk Armbestuur of de diaconie, waarin (vlas)boeren zitting hadden. Werklozen kregen geld van het Burgerlijk Armbestuur, als zij hoofden van huishoudens waren en niet door de familie of de diaconie werden gesteund. De diaconie ondersteunde alleen leden van de kerk.(51)
Bij de vader van de vierde geïnterviewde, die in de kerkraad zat, kwamen de vlasarbeiders langs voor ondersteuning. De bespreking in het kerkcollege, waar ook (vlas)boeren in zaten, ging vaak moeizaam. De boeren zeiden dan: ‘het is zonder bodem waar je dat in gooit.’ ‘Maar de mensen stikten van de armoede en kwamen bij ons aan de deur.’(52)
Regelmatig werden aanvullende collectes gehouden ten behoeve van werkloze vlasarbeiders. Vooral in de jaren twintig en dertig is veel armoede geleden door de vlasarbeiders.
In 1923 werd door de gemeente ’s-Gravendeel f 25.000,- (€ 11.344,50) uitgegeven aan armenzorg, werkverschaffing, werkloosheidsverzekering en werklozensteun. Daarnaast werden vele collecten gehouden en gaven verschillende kerkelijke diaconieën ook steun.(53)
Ook in 1932 is er een melding van steun aan de vlasindustrie door de gemeente. Van het totale steunbedrag van ongeveer f 50.000,- (€ 22.689,-) ging ruim f 15.000,- (€ 6.806,70) naar de vlasindustrie, waarmee tweehonderd arbeiders aan het werk konden worden gehouden.(54)
In 1933 en 1934 werd de vlasindustrie in het kader van de werkverschaffing eveneens gesubsidieerd door de gemeente.
Niet alleen tijdens werkloosheid waren de vlasarbeiders afhankelijk van de vlassers. Diverse vlassers zijn lid geweest van de gemeenteraad of zijn wethouder geweest. In het bestuur van bank, kerk en politieke partij hadden ook vlassers zitting. ‘Bert Visser dat was de burgemeester eigenlijk van ’s-Gravendeel’.(55) Op zondag kwamen de dominee, de notaris en de burgemeester op bezoek bij Bert Visser.(56)
Het bestuur van de bank had ook nog wel eens last van willekeur. ‘Als ze iemand niet aan stond, dan kreeg die geen geld. Een hoop mensen had een hekel om naar de Boerenleenbank te gaan, omdat daar een paar rijke boeren in zaten.’(57)
Ze leenden liever van particulieren. ‘Het uitlenen van geld gebeurde dikwijls onder elkaar, binnen de familie, maar ook door vlassers aan vlasarbeiders.’(58)
Niet alleen indirect, maar ook direct waren de meeste vlasarbeiders vroeger afhankelijk van de vlasboeren, slechts een enkeling durfde tegen de vlassers in te gaan. Maar mensen kozen ook voor veiligheid, dat is de andere kant.(59) De meeste hadden een gezin en dan gingen ze toch gauw overstag.(60)
Door het werken in een klein dorp, dat grotendeels afhankelijk was van het vlas, kon een vlasarbeider die na onenigheid was ontslagen, in zijn dorp moeilijk bij een andere vlasser aan de slag komen. Als een vlaswerker als lastig bekend stond, werd hij overal geweerd.(61)
Maar, zeker in tijden van arbeidsschaarste waren de vlassers ook afhankelijk van het vakmanschap van de vlasarbeiders, omdat er bij andere vlassers of in Rotterdam of Dordrecht dan ook genoeg werk was.
De sociale verhoudingen binnen de plattelandssamenleving zijn in de loop van de tijd gewijzigd. Vroeger was de (vlas)boer de ‘leider’ van de dorpsgemeenschap. De landarbeider of vlasarbeider voelde zich van de (vlas)boer afhankelijk. Deze afhankelijkheid is door een grotere keuzevrijheid aan werkgevers en de toegenomen mondigheid van de arbeiders sterk verminderd.
In 1937 werd de eerste collectieve arbeidsovereenkomst in de vlasindustrie afgesloten, waarin afspraken werden gemaakt over het uurloon en secondaire voorwaarden als doorbetaling van feestdagen, wachtdagen bij ziekte en dergelijke.(62)
Leden van de vakbeweging kregen bij werkloosheid zes weken een werkloosheidsuitkering van de vakbeweging, daarna waren de vlasarbeiders aangewezen op de gemeente.
In de loop van de twintigste eeuw verbeterde de ondersteuning van de vlasarbeiders, toen een landelijk stelsel van uitkeringen ontstond.
In 1949 werd de Wachtgeld- en Werkloosheidswet ingevoerd. In 1961 werd een pensioenfonds opgericht speciaal voor de vlasbewerkende industrie.(63)
5.4 Arbeidsverhoudingen
In ’s-Gravendeel, waar tweederde van de beroepsbevolking in de vlasindustrie werkte, waren de bestaansbronnen eenzijdig, wat gevolgen had voor de sociale verhoudingen.
De meeste vlasbedrijven waren kleine tot middelgrote familiebedrijven, die met een beperkt aantal vlasarbeiders werkten. Soms was zo’n bedrijfje gestart door een vlasarbeider die voor zichzelf was begonnen.
Uit de interviews is duidelijk naar voren gekomen dat hele families in de vlasindustrie werkzaam waren: vaders, ooms, zwagers, zoons en neven. De vlasserijen in ’s-Gravendeel waren familiebedrijven, wat vaak zichtbaar was aan de toevoegingen aan de naam van het bedrijf: ‘en zonen’, ‘gebroeders’. Ook opvallend zijn dezelfde achternamen, zodat bijvoorbeeld bij de Coöperatie een toevoeging noodzakelijk was: ‘zoon van’ (zie namen bestuur en leden Coöperatie in bijlagen 10 en 11).
In zo’n kleine werkgemeenschap kon een goede persoonlijke verhouding niet gemist worden. In de bedrijven heerste een sterke verbondenheid en er was weinig verloop van personeel.(64) Het was zeker geen uitzondering dat vlasarbeiders vijfentwintig jaar of meer bij eenzelfde vlasser werkten.
In het Nieuwsblad is in 1888 een melding te vinden van een langdurige arbeidsovereenkomst: ‘Aandacht verdient Simon Weeda uit de Schenkeldijk, die al veertig jaar bij dezelfde vlasser Jb. Huisman werkt als zwingelaar, zonder ooit verzuimd te hebben. Hij begon met zijn twaalfde jaar’.(65)
Eén van de geïnterviewden vertelde van zeven knechten, waarvan er twee vijfentwintig jaar bij de Gebr. Visser hebben gewerkt, vier veertig jaar en één vijftig jaar.(66)
De vlassers en de vlasarbeiders hadden elkaar nodig. ‘Ze kwamen werken en we konden goed met elkaar opschieten, want als je de hele dag met elkaar werkt en als ook de baas meedoet, dan kan je niet met een schuin gezicht, dat werkt niet.’(67)
De meeste vlassers werkten net zo hard mee in het bedrijf, behalve één vlasser, die dan ook de bijnaam ‘de baron’ had.(68) Eén van de geïnterviewde denkt dat in het dorp ongeveer de helft van de vlassers meewerkten, maar in ieder geval haalden ze geen rootbakken leeg.(69)
Bij de Weduwe M.Visser vulden de vlassers echter zelf de rootbakken, om er zoveel mogelijk in te krijgen, want ze huurden die bakken.(70) Door de grootte van het bedrijf hielden bij de Gebr. Visser de eigenaren zich meer bezig met het organiseren van het werk, de administratieve kant en de in- en verkoop van vlas en zaad.
Op een boerderij was de afstand tussen de eigenaar en het personeel veel groter dan op de vlasserijen in ’s-Gravendeel.(71) Maar er was wel degelijk sprake van enige afstand. Een sprekend voorbeeld hiervan komt uit de notulen van de Coöperatie uit 1950.
De voorzitter deelde in die vergadering mee dat hij bezoek had gehad van twee mensen, die een schadevergoeding wilden hebben, omdat zij geen vissen meer konden vangen door het rootwater. ‘Alle bestuurs- en andere leden vonden het brutaal om dat te durven doen, daar hij ondergeschikte is (…)’.(72)
5.5 Lidmaatschap vakorganisaties
De toegenomen mondigheid zal deels te danken zijn aan de vakorganisaties. Het aantal georganiseerde arbeiders in Nederland bedroeg in 1887 nauwelijks veertigduizend, geconcentreerd in Noord- en Zuid-Holland, in Friesland en Groningen.(73)
De vroegste organisaties van arbeiders waren te vinden onder ambachtslieden en werklieden en dit waren meestal gezelligheidsverenigingen of verzekeringsfondsen. In 1866 werd de eerste landelijke vakbond, de Algemene Nederlandse Typografenbond in Amsterdam opgericht.(74)
Rond 1870 breidde de vakbeweging zich ook buiten Amsterdam uit en rond 1900 ontstonden de eerste vakverenigingen en vakbonden voor landarbeiders.
In ’s-Gravendeel werd in 1917 een afdeling van de vakvereniging Nederlandse Bond van Christelijke Fabriek- en Transportarbeiders opgericht en even later de Algemene Bond van Fabriek- en Transportarbeiders.(75)
De leden waren volgens De Zeeuw vooral mensen die in fabrieken in Dordrecht werkten en heiers. Volgens De Zeeuw duurde het tot de jaren dertig van de twintigste eeuw voordat de vlasarbeiders zich gingen organiseren.(76)
Dit is niet helemaal juist, want in 1958 vierde de ’s-Gravendeelse afdeling van de Fabrieks- en Transportarbeidersbond CNV zijn veertigjarig bestaan. Tijdens deze bijeenkomst werden twee vlasarbeiders gehuldigd in verband met hun veertigjarig lidmaatschap en één vlasarbeider met zijn vijfendertigjarig lidmaatschap.(77) Dus al in 1918 waren in ieder geval ook twee vlasarbeiders lid van de vakbond.
Een van de geïnterviewden schatte dat in ’s-Gravendeel ongeveer een derde tot de helft van de vlasarbeiders lid was van een vakbond.(78) De twee geïnterviewde vlasarbeiders zijn in ieder geval lid geweest van een vakbond.
Uit de interviews kwam verder naar voren dat een deel van de vlassers wist dat de vlasarbeiders lid waren van de vakbond en dat een aantal vlassers hier geen weet van had. Dat is niet zo verwonderlijk, zoals uit volgend citaat blijkt: ‘We hadden enkele vlasarbeiders die lid waren van de vakbond, maar dat werd niet zo uitgedragen. Ze waren bang om dat te laten merken.’(79)
5.5.1 Arbeidsonrust
‘s-Gravendeelse vlasarbeiders zijn dus pas laat lid van vakbonden geworden, in tegenstelling tot België. Daar werden namelijk al in 1905 plaatselijke verenigingen van vlaswerkers opgericht, die in 1910 opgingen in de ‘Federatie der Christene Vlasbewerkers der Leiestreek’.(80)
Nog een groot verschil ten opzichte van de Belgische vlasindustrie was het aantal stakingen. In België vonden geregeld stakingen plaats, zoals reeds in 1886 tegen te lage lonen en te lange werktijden.(81) De eerste grote staking in de vlassector was daar in 1911 en ook daarna vonden regelmatig stakingen en onlusten plaats, de laatste in 1955 over de uurlonen.(82)
Dewilde vond het merkwaardig dat in Zeeuws-Vlaanderen geen stakingen plaatsvonden.(83) Hier had in plaats van ‘Zeeuws-Vlaanderen’ ook ‘’s-Gravendeel’ kunnen staan. Er zijn maar een paar meldingen van stakingen of dreigingen te vinden en die gingen over de werkgelegenheid, het loon en de arbeidsomstandigheden.
De eerste melding betrof het vlasoproer in 1885. Ten gevolge van de malaise in de vlashandel verkochten veel vlasboeren hun vlas in december 1885 onbewerkt aan Belgische en Franse handelaren.
De honderden vlasarbeiders zagen hun broodwinning naar het buitenland vertrekken en hebben zich tegen de aflevering van dat vlas verzet, straatlantaarns kapot gegooid en bij vlasboeren ruiten ingeworpen.(84) De rijkspolitie in Dordrecht moest er aan te pas komen om de rust en orde te herstellen.
In 1893 ontving de heer H.A. Visser, die een met stoom aangedreven vlasserij had in ’s-Gravendeel, een dreigbrief, waarin hij met zijn leven werd bedreigd, ‘wanneer hij dit of dat aan de fabriek niet verbeterde (…).’(85)
Een staking en een dreigende staking met als onderwerp het loon vonden plaats in 1920 en in 1937. In 1920 brak bij de vlasser P. Kooij in de Rijkestraat een werkstaking uit. De arbeiders vroegen hoger loon.(86)
Bij het afsluiten van de eerste CAO in 1937 heeft een staking gedreigd. De bonden hadden onderhandeld over een loonsverhoging, 24 cent per uur in plaats van 22 cent per uur. Alle vlassers op twee na, de Gebr. Visser en de Gebr. Mol, hadden getekend. Er werd een ultimatum gesteld: zaterdag om twaalf uur tekenen of maandag de boel plat. Net voor het verstrijken van de deadline hebben de laatste twee vlassers de CAO ook getekend. ‘Zoiets vergeet je je leven niet meer.’(87)
Als arbeidsonrust, stakingen en lidmaatschap van vakbonden als graadmeter kunnen dienen voor de mate van sociaal bewustzijn, dan waren de ’s-Gravendeelse vlasarbeiders niet sociaal bewust.
Vermoedelijk zal dit mede door de geïsoleerdheid van de eilandbewoners komen. Pas door de opkomst van nieuwe werkgelegenheid buiten het eigen dorp nam de onafhankelijkheid van de arbeiders toe en ontstond een klassenbewustzijn.
Ook de aard van de ’s-Gravendelers zal een rol hebben gespeeld. In twee interviews kwam dit duidelijk naar voren. ‘Ik heb met geen ene baas mot gehad. Wat dat betreft ben ik misschien wel eens te makkelijk geweest.’(88) ‘Ze hadden een gezin te onderhouden en dan hou je je bek nog wel eens. Tegenwoordig doen ze hun mond wel open, maar toen waren al die mensen nogal een beetje lijdzaam.’(89)
Wat vermoedelijk ook heeft meegespeeld was dat de ’s-Gravendeelse vlasindustrie grotendeels bestond uit familiebedrijven. Een hechte familieband nodigt niet uit tot staking. Bovendien had een lastige arbeider moeite om bij een andere vlasser aan werk te komen binnen zo’n kleine gemeenschap. En als een arbeider niet de hele week van huis wilde om te gaan werken in Dordrecht of Rotterdam, dan was hij aangewezen op de vlasindustrie.
Naast de sociale aspecten van de vlasindustrie wil ik als laatste aandacht besteden aan de culturele kant. Behalve het vlasonderwijs wil ik bekijken in hoeverre het vlas in de kunst en literatuur terecht is gekomen.
5.6 Onderwijs en vakbekwaamheid
Door de vele bewerkingen, die het vlas moet ondergaan voordat het als vlaslint kon worden verhandeld, moesten zowel de vlasser als de vlasarbeider een grote mate van vakkennis en vakbekwaamheid bezitten.
‘Iemand die op het land werkte, die was geen goede vlaswerker. De mensen die bij ons in het vlas werkten, die werden ook niet zo goed in de landbouw, dus het was toch een specialisme eigenlijk.’(90)
Een goede vlasbewerker, die alle bewerkingen onder de knie had, was een veelzijdig vakman met veel kennis en vaardigheid, te vergelijken met een geschoold ambachtsman. Maar zo werd het niet gewaardeerd, de vlasarbeider stond laag in sociaal aanzien.
Door tijdgenoten werden vlasarbeiders op de onderste sporten van de maatschappelijke ladder geplaatst. ‘Domheid, kortzichtigheid en onhandigheid zijn maar al te zeer de eigenschappen, die den vlasarbeider ontsieren en hem ongeschikt maken om zich enigermate in zijne maatschappelijke positie te verheffen.’(91)
Vooral voor het opmaken van vlas, de laatste bewerking in de vlasindustrie, was veel vaardigheid nodig. Niet voor niets werden juist hierin wedstrijden gehouden, zowel regionaal als landelijk.
Kennis en bekwaamheid moest men meestal in de praktijk leren, vaak werd de kennis van vader op zoon doorgegeven. Zoals één van de geïnterviewden het formuleerde: ‘Je was er in opgegroeid, je wist niet beter. Dan zeg je niet: pa, ik ga wat anders doen.’(92)
Vakscholen ontstonden pas in de jaren veertig van de twintigste eeuw. In 1940 werd in Standdaarbuiten de Stichting Vakonderwijs voor Vlasbewerking geopend en in 1942 in Koewacht de Eerste Zeeuwsche Vlassersschool.
Op deze dagscholen, die een tweejarige cursus aanboden, werd gedurende twee dagen per week de technische en de economische kant van de vlasbewerking behandeld.
Naast deze scholen werden in de winter cursussen gegeven in oogsten, repelen, roten en zwingelen. In de periode 1938 en 1940 werden in Nederland 107 cursussen aangeboden aan 4.929 leerlingen.(93)
De zonen van de vlassers in ’s-Gravendeel gingen meestal naar de cursus in Standdaarbuiten, behalve de zonen uit kleine bedrijfjes, die konden niet gemist worden. Een zoon in het grootste vlasbedrijf, de Gebr. G. en P.J. Visser, heeft zelfs textielopleidingen gevolgd in Polen, Belfast en Lille.
Vlasarbeiders gingen niet naar Standdaarbuiten, de vlassers wilden de arbeiders niet twee dagen per week kwijt zijn.(94) De vlasarbeiders werden door de vlasser zelf opgeleid, of door een vlasmeester uit België, die cursussen op het bedrijf zelf gaf aan vlasarbeiders.(95) De lessen werden ’s-avonds gegeven met enig huiswerk.
5.7 Culturele uitingen
De zoektocht naar culturele uitingen van het vlas heeft niet veel opgeleverd. Waarschijnlijk hadden de vlassers en vlasarbeiders wel wat anders aan hun hoofd, er moest hard gewerkt worden om in het levensonderhoud te voorzien.
Tijdens het werk zong men veel schoolliedjes, hits van de dag en levensliederen tot de ergste smartlappen toe, maar in tegenstelling tot België waren er geen aparte vlasliedjes.(96)
De meeste geïnterviewden kenden het in de inleiding genoemde vlasraadsel in een of andere vorm. Het vlasraadsel kende vele variaties (zie bijlage 16), wat duidt op een brede verspreiding.
Ook in ’s-Gravendeel werd in 1923 een eigen versie van het raadsel gemaakt ter gelegenheid van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de landbouwtentoonstelling in Ridderkerk:
Toen ik was jong en schoon
Droeg ik een blauwen kroon
Toen ik werd oud en stijf
Kreeg ik een band om ’t lijf.
Ze hebben me laten zinken
Beladen, tot ik ging stinken.
Toen werd ik met vereende kracht
Van den last ontdaan, door elkeen veracht.
Ik werd op ’t land gezet, verfrischt door de natuur
Geborgen in de schuur
Hier werd ik gestooten, geknepen, geslagen
En eindlijk door Keizers en Koningen gedragen.
Leen Nolen, een ‘s-Gravendeelse bakker, maakte gedichten, waarin hij vervelende toestanden aan de kaak stelde. In 1921 maakte hij het gedicht ‘Aan mijn dorpsvlassers’, waarin hij de slechte toestand in de vlasserij in die tijd beschreef (zie bijlage 16).
De meeste geïnterviewde vlassers en vlasarbeiders kenden geen spreekwoorden of gezegden met vlas. Een paar vlassers kenden wel het bijbelse spreekwoord ‘Blus de rokende vlaswiek niet uit’.
Toch zijn in Van Dale wel een aantal spreekwoorden en gezegden te vinden, die naar vlas verwijzen (Voor de betekenis zie bijlage 17). Een aantal uitdrukkingen wijzen naar de kleur of textuur van het vlas (vlashaar, vlasblond, vlasbaard).
De bewerkingen van het vlas worden figuurlijk gebruikt in de spreekwoorden ‘’t is hier goed om vlas te zaaien’, ‘dat vlas is niet te spinnen’ en ‘men kan van alle vlas geen goed garen spinnen’.
Een onaangename betekenis hebben de uitdrukkingen die naar het hekelen verwijzen: ‘iemand of iets over de hekel halen’ en ‘met zijn gat op een hekel zitten’. Ook ‘iemand een vlassen baard aandoen’ heeft een negatieve lading, terwijl ‘op iets vlassen’ een positieve uitdrukking is.
Sommige geïnterviewden kenden de roman ‘De vlasschaard’ van Stijn Streuvels, die de vlasserij rond 1900 in België beschreef. Geen van de geïnterviewden kenden Nederlandse vlasromans en ik heb deze zelf ook niet kunnen vinden.
Tegenwoordig herinneren in ’s-Gravendeel diverse zaken aan het vlas. Dirk Stoker, een
’s-Gravendeelse schilder en ex-vlasarbeider, heeft diverse tekeningen en schilderijen gemaakt met het vlas als onderwerp. Bij het gemeentehuis van ’s-Gravendeel staat een kunstwerk van Henk Kuizenga van twee vlasrepelende mannen.

Ook in verschillende benamingen komt het vlas terug. In de nieuwbouwwijk Nieuw Bonaventura waren in 1965 namen nodig voor de straten. Het college van Burgemeester en Wethouders deed de gemeenteraad een voorstel om deze straten namen te geven afkomstig uit het vlasbedrijf. ‘Om de herinneringen aan de vlasserij levendig te houden (…).’(97) De helft van de namen hield verband met het vlasproduct en de andere helft had te maken met de vlasbewerking.(98)
Een basisschool in de wijk Nieuw Bonaventura heet ‘De Schelf’ en het buurthuis in die wijk heet ‘De Biesband’, waarin ook de Historische Vereniging is gevestigd, waar informatie en beeldmateriaal over de geschiedenis van het dorp is te vinden.
Een andere manier om de herinnering levend te houden is het oprichten van een museum. In 1967 bracht de gemeenteraad een bezoek aan het gemeentebestuur van Kortrijk, die bezig waren met de voorbereidingen van een vlasmuseum. De hulp van ’s-Gravendeel was ingeroepen om het museum van materiaal te voorzien.
In 1988 is een poging gedaan om een vlasmuseum op te richten in de Hoeksche Waard.(99)
Uiteindelijk is in het Streekmuseum Hoeksche Waard in Heinenoord informatie en materiaal over het vlas in de collectie opgenomen en in 2002 is in het Brabantse Klundert een gecombineerd vlasserij- en suikermuseum geopend.
Samengevat kan gesteld worden dat de arbeidsomstandigheden in het vlas niet best waren. Werken in het vlas was smerig, stoffig werk, zonder verwarming, met weinig sanitaire en sociale voorzieningen. Vooral het stof tijdens het zwingelen gaf gezondheidsproblemen.
In het algemeen gold dat de arbeidsomstandigheden in de tijd dat er met de hand werd gewerkt zwaarder waren dan in het machinale tijdperk, zoals ook in de parlementaire enquête naar voren kwam. Met de mechanisatie, maar vooral met de stofafzuiging, verminderde de hoeveelheid stof. Er bleef echter genoeg stof over om na een onderbreking van het weekend op maandag vlaskoorts te krijgen.
Het karige loon werd aangevuld met vrouwen- en kinderarbeid, met het gebruik van grond voor eigen consumptie, door tijdelijk te helpen met het oogsten van landbouwproducten en door te werken in de suikerfabriek van Puttershoek. Tijdens werkloosheid waren de vlasarbeiders voor steun afhankelijk van gemeente of kerk, waarin de (vlas)boeren zitting hadden.
Door de kleine dorpsgemeenschap die ’s-Gravendeel was en waar bovendien de vlasindustrie bestond uit familiebedrijven, waren de sociale verhoudingen gemoedelijk en hecht. Een zekere mate van afstand bestond er wel tussen vlassers en vlasarbeiders.
Doordat vlassers in het openbare leven een rol vervulden waren de vlasarbeiders direct of indirect afhankelijk van de vlassers. Dit verminderde sterk in de loop der tijd door uitbreiding van de werkgelegenheid buiten het dorp en buiten de vlasindustrie en door de toegenomen mondigheid van de arbeiders.
De ’s-Gravendeelse vlasarbeiders werden, in vergelijking met België, pas laat lid van vakbonden. Ook is er weinig arbeidsonrust geweest. De redenen zijn waarschijnlijk de geïsoleerde ligging van
’s-Gravendeel op een eiland en het lijdzame karakter van de arbeiders. Wat vermoedelijk ook heeft meegespeeld waren de hechte verhoudingen in de familiebedrijven.
De vakkennis werd grotendeels overgedragen van vader op zoon. Pas in de jaren veertig van de twintigste eeuw ontstond het vlasonderwijs, dat vrijwel uitsluitend werd gevolgd door de zonen van vlassers. De vlasarbeiders kregen hooguit een cursus op het bedrijf zelf.
De zoektocht naar culturele uitingen van het vlas tijdens het in bedrijf zijn van de vlasserij heeft niet veel opgeleverd: een vlasraadsel en een gedicht. Tijdens het uitoefenen van de vlasserij was er blijkbaar weinig tijd voor culturele zaken.
Achteraf wordt de herinnering aan de vlasserij wel levend gehouden door middel van straatnamen, die verwijzen naar het vlas, kunstwerken en de Historische Vereniging.
37. Www.neha.nl (bijlage 15).
41. Gemeentearchief ’s-Gravendeel, zonder inv.nr., Brieven van burgemeester Vaarzon Morel, 31 januari 1891.
50. Archief Coöperatieve Warmwatervlasroterij ‘Schenkeldijk’, inv. nr. 20015, Notulenboeken 30 maart 1928.
68. De baron had zijn bijnaam waarschijnlijk te danken aan het feit dat hij niet meewerkte in zijn bedrijf en aan zijn uiterlijk. De baron liep als enige vlasser in een net pak met stropdas, hoed en mooie schoenen, met een gouden ketting op z’n vestje en een goudkleurige bril; interview 2 en interview 3.
72. Archief Coöperatieve Warmwatervlasroterij ‘Schenkeldijk’, inv. nr. 20015, Notulenboeken 25 april 1950.
84. Gemeentearchief ’s-Gravendeel, zonder inv.nr., Brieven van burgemeester Vaarzon Morel, 12 december 1885.
91. D. Damsma en L. Noordegraaf, ‘Standen en klassen in een Zuidhollands dorp’, in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis (1977) 256.
98. De Zeeuw, Van lijnzaad tot vlaslint, 103. Vlasproducten: Schrankstraat, Lijnzaadstraat, Bolkafstraat, Schevenstraat, Lokkenstraat, Vezelstraat, Linnenstraat, Damaststraat, Batiststraat. Vlasbewerkingen: Repelstraat, Dauwrootstraat, Roterijstraat, Braakstraat, Zwingellaan, Hekelstraat, Bootstraat, Schelfstraat, Spinnerijstraat, Weverijstraat.