| Aangenomen werk |
Werk verrichten tegen een bepaalde, tevoren overeengekomen prijs die per gemet of per
schrank is vastgesteld. |
| Afval |
Verzamelnaam voor de afvalproducten van alle bewerkingen. Hiertoe behoren bolkaf,
scheven, lokken, snuit enzovoort. |
| Akkerwinde |
Een veel in vlas voorkomende slingerplant. |
| Biesband |
Bindtouw gevlochten uit biezen. Later vervangen door sisal. |
| Binder |
- Iemand die vlas bindt.
- Een bindapparaat.
|
| Blauwbloei |
Verzamelnaam voor alle blauwbloeiende rassen vlas. |
| Blauwroot |
Vlas dat in een sloot of put onder modder is geroot en waarbij het lint blauwachtig van kleur is geworden. Andere naam voor modderroot of slootroot. |
| Bollen |
Het huisje waarin het lijnzaad zich bevindt. |
| Bolkaf |
De gebroken zaakhuisjes waarin het lijnzaad heeft gezeten. |
| Bollenbreken |
Het kapot maken van de zaadknoppen om het zaad eruit te kunnen verwijderen. |
| Bollenbreker |
Instrument waarmee de bollen worden gebroken. |
| Boot |
Een bosje vlas van twee handvollen met een gewicht van ongeveer één kilo, zoals ze na het repelen werden gebonden om in de sloot te worden geroot. |
| Bos |
Een samengebonden hoeveelheid vlas in gerepelde of gerote toestand. |
| Braak |
Een machine waarin, tussen in elkaar grijpende tandrollen, de houtachtige stengel van de plant in kleine stukjes wordt gebroken. |
| Braken |
De houtachtige stengels van het vlas met behulp van een braak breken. |
| Bunder |
Andere naam voor hectare. |
| Dauwroot |
De pectine tussen lint en stengel doen oplossen door schimmelbacteriën die tot ontwikkeling komen als het vlas op de grond wordt uitgespreid en aan de inwerking van mist, regen en zon
wordt blootgesteld. |
| Dode harrel |
Een verwelkingziekte waarbij de stengel geheel of gedeeltelijk afsterft en die gewoonlijk optreedt kort voordat het gewas rijp is. |
| Duivel |
Een machine waarin de laatste bruikbare, korte vezels uit de scheven worden gehaald. |
| Gaar |
Noemt men het vlas als het rotingsproces ver genoeg is voltrokken, de pectine zover is opgelost, dat lint en stro zich gemakkelijk van elkaar laten scheiden. |
| Gemet |
Oude vlaktemaat, ongeveer 3/7 hectare. |
| Hand |
Om de lengte van het vlas aan te geven drukt men zich uit in handen. Een hand is ongeveer tien centimeter. |
| Hekel |
Plankje, bezet met spijkers waar het gezwingelde vlas door wordt getrokken, om knopen eruit te verwijderen. |
| Hok |
De kegelvormige hokjes waarin het vlas na het roten wordt opgesteld om te drogen. |
| Houtpijp |
Houten gedeelte van de vlasstengel. |
| Kafmolen |
Molen waarin het zaad van kaf wordt gezuiverd. |
| Lijnzaad |
Vlaszaad. |
| Lint |
De geheel gezuiverde vezel, het eindproduct van de vlasbereiding. |
| Lokken |
Afvalproduct van het zwingelen: korte en zwakke vezels die bij deze bewerking uit het vlas worden geslagen. |
| Lokkenboer |
Iemand die lokken opkoopt om ze verder te zuiveren tot spinbaar lint. |
| Lokkenschudder |
Onderdeel van de turbine, bestaande uit een voortdurend bewegend spijkerbed dat daardoor de scheven uit de lokken schudt. |
| Modderroot |
Het roten onder modder. Zie blauwroot. |
| Monstersteen |
Steen vlas die mee naar de markt werd genomen als monster van een partij vlas. |
| NAK |
Nederlandse Algemene Keuringsdienst, een rijksdienst die de kwaliteit van het zaaizaad controleerde. |
| Opboten |
Het binden van het vlas na het repelen. |
| Pectine |
De slijmerige kleefstof waarmee het lint aan het stro zit gekleefd. |
| Perceel |
Een stuk grond met vlas. |
| Plukken |
Het rijpe vlas uit de grond trekken. |
| Repel |
Een instrument bestaande uit een aantal dicht naast elkaar opgerichte ijzeren pinnen in een houten voetstuk dat men gebruikt bij het ontzaden van vlas. |
| Repelen |
Met behulp van een repel de zaadknoppen van het vlas verwijderen. |
| Repelmachine |
Machine voor het ontzaden van vlas. |
| Rigazaad |
Andere naam voor het uit Rusland en de Baltische staten afkomstige tonnezaad. |
| Rolbraak |
Een machine waarin de houtachtige stengel van het vlas tussen tandrollen gebroken wordt. Opvolger van de handbraak. |
| Roten |
Het proces waarbij de pectine tussen vezel en stro van de vlasplant wordt opgelost. |
| Roterij |
De plaats waar het vlas in water van ongeveer dertig graden wordt geroot. |
| Schelf |
Een in de open lucht opgestapelde stapel vlas, om het tegen weersinvloeden te beschermen. |
| Scheven |
De gebroken houtstengel van het vlas. |
| Schrank |
Samengebonden hoeveelheid ongerepeld vlas met een omtrek van ongeveer 55 centimeter. |
| Slagzaad |
Minderwaardig, niet volgroeid of voor de uitzaai afgekeurd lijnzaad, dat naar de olieslagerijen gaat. |
| Slootroot |
Vlas in de sloot roten. Zie blauwroot. |
| Snuit |
Afval van het hekelen en opmaken van het gezuiverde vlaslint. |
| Steen |
Een in de top spits toelopende en in de voet breed uitlopende samengebonden bundel vlaslint, met (vroeger) het precieze gewicht van 2,82 kg. |
| Stofafzuiger |
Installatie boven de zwingelturbine die het bij braken en zwingelen gevormde stof wegzuigt en naar een stofkamer dirigeert. |
| Stofkamer |
Een afgetimmerde ruimte waarheen de afzuiging het stof dirigeert en waar de kleine vezeltjes in achterblijven terwijl de rest de lucht in gaat. |
| Strovlas |
Vlas in gerepelde toestand. Ook vlasstro. |
| Tonbraak |
Zie rolbraak. |
| Tonnezaad |
Het vroeger algemeen als zaaizaad gebruikte Russische en Baltische lijnzaad, ook Rigazaad genoemd. |
| Turbine |
Machine waarin het gerote vlas achter elkaar wordt gebraakt en gezwingeld. In de volksmond tribune of tribuun genoemd. |
| Vlasboer |
Iemand die voor eigen rekening vlas teelt en bewerkt. |
| Vlasbrand |
Ziekte voorkomend in vlas, veroorzaakt door een woekerzwam in de grond, waardoor de plant kleiner blijft en de blaadjes van onder af verdorren en afvallen. |
| Vlasser |
Iemand die vlas bewerkt of laat bewerken. |
| Vlasroest |
Een vlasziekte veroorzaakt door een zwam, waarbij bruinevlekken op de vezel ontstaan, die ook later op het lint zichtbaar zijn en waardoor het op die plaatsen zwak is. |
| Vlasserij |
- Teelt en bewerking van vlas.
- Bedrijf dat zich daarmee bezighoudt.
|
| Vlasstro |
Zie strovlas. |
| Warmwaterroot |
Roten in warm water. |
| Witbloei |
Witbloeiende vlassoort. |
| Zaaiviool |
Instrument voor het zaaien van vlas. |
| Zaadbol |
Huisje, boven aan de stengelvertakkingen, waarin het zaad zit. |
| Zaadmolen |
Zie bollenbreker. |
| Zaaizaad |
Zaad dat gebruikt wordt om verder te telen. |
| Zwingelbord |
De opstaande plank met inkeping waarlangs men het vlas tegen de spanen houdt. |
| Zwingelen |
De houtachtige delen uit het vlaslint verwijderen. |
| Zwingelkeet |
Houten keet achter de boerderij waar ’s-winters het vlas gezwingeld werd. |
| Zwingelkooi |
Klein schuurtje waarin men vroeger zwingelde. |
| Zwingelmolen |
Een door een trapinstallatie of elektriciteit aangedreven wiel met tien tot twaalf plankjes (spanen), waarmee men het vlas van houtdeeltjes zuivert. |
| Zwingelspaan |
De plankjes aan de molens die de scheven uit het lint slaan. |
| 't Is hier goed om vlas te zaaien |
Wordt gezegd als in een gezelschap niemand spreekt. |
| Men kan van alle vlas geen goed garen spinnen |
Alle hout is geen timmerhout. |
| Dat vlas is niet te spinnen |
Daarmee is niets te beginnen. |
| Vlas(achtig) haar |
Lichtblond haar. |
| Vlasbaard |
Eerste baardharen; melkmuil. |
| Vlasblond |
Een haarkleur als rijp vlas. |
| Iemand een vlassen baard aandoen |
Iemand op schijnheilige wijze bedriegen. |
| Op iets vlassen |
Er met gespannen verwachting, sterk verlangend
begerig naar uitzien. |
| Blus de rokende vlaswiek niet uit (Jes. 42:3) |
Doof de ijver niet waar die zich toont. |
| Iemand, iets over de hekel halen |
Iemand, het op scherpe, onbarmhartige, vaak
kwaadwillige wijze bespreken, beoordelen. |
| Met zijn gat op een hekel zittten |
Ongedurig zijn, zich in een hachelijke toestand
bevinden. |